©one.brussels

  • White Facebook Icon
  • White Twitter Icon

geëngageerde Brusselaars met

Stedenbouw: naar een stad voor mensen

In een dichtbevolkte stad als Brussel is openbare ruimte schaars. Een aantrekkelijke en leefbare stad heeft kwaliteitsvolle publieke ruimte nodig zoals parken, pleinen, autoluwe straten, fietsstraten, voetgangerszones. De inwoners en bezoekers hebben recht op gezonde lucht, vlot en veilig verkeer en recreatieruimte. Bijna 1 op 2 Brusselse families heeft geen auto en toch verhinderen de vele auto’s andere functies in de publieke ruimte.


Brussel is een stad die veel te lang alles voor de auto heeft gegeven en opnieuw een stad voor mensen moet worden. Als de openbare ruimte wint, wint de levenskwaliteit in de stad. Als het openbaar, het gedeeld of het niet-gemotoriseerd vervoer wint, wint de Brusselaar. De beweging die we de afgelopen jaren hebben ingezet om van een stad voor auto’s naar een stad voor mensen te gaan moet verdergezet en sneller gemaakt worden. Daarbij moeten we keuzes durven maken, soms tegen de stroom in.


Stappen, fietsen en openbaar vervoer moeten de eerste keuze worden van de Brusselaar en bezoekers om zich te verplaatsen. We vermijden zo dat wagens onnodig de stad binnenrijden of gebruikt worden voor korte verplaatsingen. Een integraal parkeerbeleid ondersteunt deze keuze en zorgt dat zoekverkeer wordt uitgebannen. We maken plaats voor fietsers en voetgangers en stoppen daarom geparkeerde wagens zoveel mogelijk onder de grond en geven minder ruimte aan de auto’s. Brussel wordt zo opnieuw een fiets- en wandelstad. Nieuwe collectieve voorzieningen dienen in de eerste plaats bereikbaar te zijn zonder auto. Ontmoetingsplaatsen worden autovrij of autoluw: winkelstraten, de omgeving van scholen, culturele centra, sportcentra, speelpleinen, ...


Pleinen worden het verlengde van je living. Parken worden je tuin. Wij blijven dus radicaal kiezen voor een herverdeling van de openbare ruimte. Ruimte voor mensen is prioritair.
Ook hier is one.brussels relevant. Nog te vaak verzandt mobiliteitsbeleid in een processie van Echternach waarbij de gemeenten de daadkracht en efficiëntie van het Gewest afremmen.

We gaan maximaal voor een overdracht van bevoegdheden op vlak van mobiliteit van de gemeente naar het Gewest.

Openbare ruimte

  • Openbare ruimte is een gemeenschappelijk, maar schaars goed. Wij willen een ruimtelijke ordening die gericht is op een evenwicht tussen ontmoeting en passage, die rekening houdt met hoe mensen samenleven en die samenleven faciliteert. Tegelijkertijd moeten we meer inzetten op verdichting.

  • Tachtig procent van de Brusselaars woont op loopafstand van groene ruimte. Het valt dus wel mee met die grijze stad. Vanuit de lucht gezien dan toch. Maar mensen zijn geen drones. Ze wonen, eten, verplaatsen zich, gaan naar school of werken en hebben nood aan ontspanning en rust. De Brusselaar heeft recht op ruimte en kwaliteit in zijn omgeving: een bereikbare, aantrekkelijke en veilige leefomgeving met voldoende groen, speelruimte, gezonde lucht, stedelijke infrastructuur en diensten. Kwaliteit is de leidraad bij het plannen van onze stad. Wij willen een Brussel met mooie en innovatieve architectuur die onze stedelijke identiteit versterkt en een draagvlak kan creëren voor moeilijkere infrastructuur- of huisvestingsprojecten.

  • We willen de parken in de stad en bossen in de rand behouden. Daarom moet Brussel verdichten. Deze stedelijke reflex betekent enerzijds een kwalitatieve openbare ruimte in dichtbevolkte delen van de stad (bv. de Ninoofsepoort) en anderzijds een keuze voor architecturaal hoogstaande hoogbouw. De bestaande ruimte wordt beter gebruikt worden door onbenutte terreinen in de kanaalzone en leegstaande gebouwen een nieuwe bestemming te geven

Verdichten en de natuur alle ruimte geven

 

  • We zetten in op slimme verdichting met kwalitatieve gedeelde ruimtes en een goede sociale mix zodat het voor jong en oud, voor gezinnen en singles aangenaam wonen is in de stad: stadstuinen en parkjes, moestuinen, niet alleen plaats om je fiets te stallen, maar ook om hem te wassen, sportruimtes, keukens, waskamers, kleine mediatheken of culturele ruimtes, ... zodat ook het micro-leven in de stad gezellig is. Er is aandacht voor de ontwikkeling van de rez-de-chaussee als toegangspoort van het gebouw.

  • We maken een plan dat Brussel minder mineraal maakt met richtlijnen om zoveel mogelijk steen en beton uit de stad weg te halen en terug te geven aan de natuur. Dat gaat van kleine strookjes aarde tussen gevel en stoep voor gevelplanten tot stroken waar we de wilde natuur een kans geven of pocketparken inrichten. Bij grote infrastructuurwerken, ook bouwprojecten, leggen we een minimum aan groenoppervlakte op of waterdoorlatende straatbestening. We houden dan ook meer rekening met waterinsijpeling. We zorgen voor tijdelijke opslag van water in de publieke ruimte of in woningblokken, zodat straten minder snel blank staan bij hevige regenval en zodat volkstuintjes en parken later met dit regenwater kunnen gegoten worden. Bij de heraanleg van straten kijken we systematisch of er naast bomen ook ander groen kan geïntroduceerd worden. We brengen diversiteit in de aanplant, met meer fruitbomen in plaats van sierbomen. We maken meer gebruik van doordringbare materialen, vergroenen trambeddingen systematisch waar mogelijk en experimenteren met grasstraten. We letten ook op het reinigen en onderhoud van deze zones.

  • De verloren ruimtes in Brussel willen we inzetten om de bevolkingsgroei op te vangen. Een verlaten terrein wordt recreatieruimte, lege gebouwen worden woningen of werkplaatsen voor creatieve economie. Leegstand kan ingezet worden voor tijdelijk gebruik, van jeugdactiviteiten tot culturele evenementen, maar ook tijdelijk wonen, daklozenopvang of reïntegratieprojecten. We taxeren leegstand meer en gaan in extreme gevallen over tot confiscatie en onteigening.
     

  • Het Ter Kamerenbos en het Zoniënwoud moeten verbonden worden met het bestaande stedelijk weefsel via duidelijke toegangen tot het bos. Het Ter Kamerenbos moet autovrij worden. In een eerste fase moeten de autovrije zones die nu tijdens het weekend gelden, ook tijdens de week gelden. De natuurwaarde van het Zoniënwoud moet toegankelijk gemaakt worden voor alle Brusselaars, o.a. dankzij betere bereikbaarheid met het openbaar vervoer.Wij onderzoeken de haalbaarheid van de inplanting van volkstuintjes op de site van de renbaan van Bosvoorde. De volkstuintjes zouden beheerd worden door Brussel Leefmilieu en tegen goedkope prijzen ter beschikking gesteld worden van de inwoners van Brussel.
     

  • We trekken een groene long door de stad van aan het Ter Kamerenbos via de Vijvers van Elsene en Louiza over Hallepoort en Poincaré, langs de Ninoofsepoort en het Kanaal naar Tour & Taxis tot in Laken en aan de Heizel.
     

  • We willen dat iedereen op 400 m wandelafstand van zijn woonst toegang heeft tot een groene ruimte van minstens 20m2 openbaar groen. In volgebouwde wijken zonder open ruimte worden braakliggende terreinen omgevormd tot parken. We maken het stedenbouwkundig mogelijk pop-up-parken op te richten voor zones die tijdelijk (enkele jaren) leeg staan maar niet permanent in park kunnen worden omgezet.
     

  • De parken worden allemaal beheerd door Leefmilieu Brussel. Waar mogelijk worden stukken ‘wilde natuur’ en ‘speelnatuur’ aangelegd. De parken worden ‘circulair’ ingericht, dit wil zeggen dat natuurlijke en makkelijk bruikbare materialen worden gebruikt voor parkmeubilair, speeltuigen, afrastering, etc.
     

  • De onderbenutte zones tussen het Zuidstation en Delacroix richten we verder in als een keten van marktplaatsen met internationale uitstraling. De ankerpunten zijn de Zuidmarkt en de Slachthuizen van Anderlecht.
     

  • Het Koninklijk Domein van Laken en Hertoginnendal stellen we open voor het publiek.
     

  • We zetten in op stadslandbouw. De stad heeft heel wat mogelijkheden om bepaalde gewassen (champignons, tuinkruiden, fruit, verse groenten, zoetwatervissen, scampi, ...) dichtbij de markt te telen. Hierdoor kunnen we kringlopen sluiten, ongebruikte sites herwaarderen, mensen aan het werk helpen en heerlijke verse producten op het bord krijgen.
     

  • Grond is schaars in de stad, maar daken zijn er in overvloed. Ze bieden vaak een prachtig zicht op de stad, er kunnen stadstuinen of horeca op ingericht worden. Daken van nieuwe (hoge) gebouwen moeten via de bouwvergunning verplicht toegankelijk gemaakt worden voor het publiek. Bij nieuwbouw worden daktuinen en zonnepanelen zoveel als mogelijk gestimuleerd.
     

  • De spoorbundels in Brussel nemen veel van de schaarse ruimte in. In Amsterdam wordt deze ruimte benut door er structuren boven te bouwen: zonnepanelen of een groen park. Dat is ook in Brussel mogelijk.
     

  • We verbeteren de wirwar van borden en palen in de openbare ruimte. We verwijderen overbodige borden, waar mogelijk combineren we verplichte borden. We verwijderen illegale informatieborden van privébedrijven.

De productieve stad

  • Productie is belangrijk voor een stad en moet een zichtbare plek krijgen. Lokaal produceren stimuleert ondernemerschap. Lokaal produceren betekent lokale werkgelegenheid, vaak ook voor kortgeschoolden. Het is ecologisch want de afzetmarkt is bijna altijd lokaal. Bestaande industriële gebouwen met hun typische flexibele structuur worden hergebruikt. Het zichtbaar maken van productie heeft bovendien een sociale en inclusieve rol. Het is een erkenning van de “savoir faire” en het “main d’oeuvre” de makers, die in Brussel van heel diverse afkomst zijn.
    De combinatie van verschillende productievormen en andere stedelijke functies, laat toe om stromen van materialen, producten, afval en energie te optimaliseren. Een stedelijke omgeving en lokale productie zijn uitstekende randvoorwaarden voor circulaire economie. Tegelijk is het een invulling van de publieke ruimte waar makers, bewoners, toeristen,.... elkaar kruisen.
    Lokale productie vraagt om creatieve architecturale oplossingen. Iedere vorm van productie heeft immers zijn eigenheden. Specifieke aandacht is nodig voor mobiliteit met aangepaste distributiecentra. We stemmen de regelgeving hierop af en bouwen aan coalities tussen wonen en productie door verzoenend en regulerend op te treden. De ultieme uitdaging is om bestaande initiatieven, beleid, ontwerpers, ondernemers, stadsontwikkeling op elkaar af te stemmen.

     

  • We geven letterlijk ruimte aan de kleinere maakhandel en productie in de stad voor lokale consumptie of verkoop. We maken daarbij de verschillende gemeenschappen die vandaag hun eigen circuits hebben zichtbaar. Daarbij hebben we speciale aandacht voor ambachten en micro-productie.
     

  • We voeren een aangepast stedelijk grondbeleid. De meerwaardecreatie door verdichting die er komt in functie van wonen kan worden aangewend ten voordele van meer productieve activiteiten.
     

  • We realiseren incubatoren met aandacht voor het STEAM-concept (STEM + A): science, technology, enginering en maths aangevuld met een “A” voor Art en Artisanaal
     

  • We verplichten CityDev ‘productie’ als deel van zijn ontwikkelingsprojecten op te nemen. Dit kan in de vorm van ateliers, gedeelde werkplaatsen of vormen van stadslandbouw die gecombineerd kunnen worden met wonen.
     

  • We bedden de korte-keten-productie in het opleidings- en subsidiebeleid voor ondernemers in.
     

  • De last-mile bij het leveren van goederen realiseren we met duurzame mobiliteit. Zo houden we de vele bestelwagens uit woonkernen. We hebben aandacht voor het sociale luik van bv de fietskoeriers.
     

  • Te veel kantoren in Brussel staan vandaag leeg, zeker in wijken buiten het centrum, zoals de Louizawijk of binnen de tweede Kroon. We reiken geen vergunningen meer uit in wijken met een structureel overaanbod. Bestaande leegstand krijgt een alternatieve invulling, zoals een opdeling op maat van KMO’s of een tijdelijk onderkomen voor starters.
     

  • Structureel leegstaande kantoren – zoals in delen van de Europese wijk – worden omgevormd tot woningen. Slecht bereikbare kantoorwijken – zoals rond de NAVO of Thiry in Woluwe – moeten ontsloten worden door beter openbaar vervoer dat duidelijke verbindingen maakt met het pendelend autoverkeer, door fietssnelwegen aan te leggen en door de richtschema’s van het gewest (zoals dat van Reyers) aan te passen.

Een identiteit voor elke wijk

  • Brussel is veel meer dan een stad met één centrum. Wie afstapt in het Centraal Station heeft nog niet heel Brussel gezien. Brussel bestaat uit een mozaïek van wijken. Elke wijk en elk stedelijk gebied moet inzetten op een eigen identiteit. Deze eigenheid moet erkend worden in het planproces. De openbare ruimte is de plaats waar de wijkidentiteit zich toont. Elke wijk heeft een visuele eigenheid. Zo lijkt Watermaal-Bosvoorde niet op de Bloemenwijk. Door een variatie op het stedelijk stadsmeubilair, activiteiten, muurtekeningen en straataanleg kan de wijk haar identiteit versterken en uitspelen.
     

  • In elke wijk streven we naar een herverdeling van de openbare ruimte om de leefbaarheid te verbeteren. Straten en pleinen worden vandaag nog altijd ingenomen door autoparkeerplaatsen en autoverkeer. Bij de herinrichting van de publieke ruimte kiezen we radicaal voor gedeelde vervoersmodi: autodelen, openbaar vervoer, fiets, te voet. We willen op korte termijn van alle historische steenwegen binnen de middenring éénrichtingsstraten maken. De vrijgekomen ruimte wordt herverdeeld en bestemd voor openbaar vervoer, fietsers en voetgangers.
     

  • Elke centrumwijk – een wijk gelegen binnen de middenring – beschikt in de toekomst over een lussensysteem. Doorgaand autoverkeer en verkeer op zoek naar parkeerplaats moet prioritair worden tegengegaan.
     

  • Elke wijk krijgt een voetgangerszone. Smalle straten in de wijk worden ingericht als fietsstraten. We verhogen het aantal speelstraten en woonerven.
     

  • Trage wegen in de wijk worden ingericht als fietsstraten. Wijken moeten zoveel mogelijk te voet met elkaar verbonden zijn.
     

  • Vandaag wordt de stad versneden door grote steenwegen en de kleine ring, hetgeen voor grote breuken zorgt. Deze vormen obstakels om de stadsdelen op een vlotte manier te verbinden. Een natuurlijke verbinding van de verschillende wijken door stedenbouwkundige ingrepen (bv. fietsrotondes,...) verbetert de mobiliteit van voetgangers en fietsers, de sociale mix van de wijken en versterkt het samenhorigheidsgevoel van burgers in de stad. De verbinding van het centrum en de buitenwijken via vlotte natuurlijke verbindingen heeft prioriteit.
     

  • Elke Brusselaar heeft recht op groen- en ontspanningsruimte op wandelafstand. Spelprikkels (speelse elementen geïntegreerd in de publieke ruimte) in de hele stad en in alle wijken maken pleinen, parken en straten meer bespeelbaar en aantrekkelijker.
     

  • Openbare ruimtes worden nog meer ingericht als ontmoetingsplaatsen en voorzien voor (denk)sport, spel en ontspanning met speeltuigen voor kleine kinderen, sportterreinen en pannaveldjes, zitbanken voor jongeren en ouderen om te praten, rusten, schaakspelen,...
     

  • Kunst in de openbare ruimte en ‘speelkunst’ (speeltuigen die tegelijk kunst zijn) zorgen voor laagdrempelige toegang tot kunst voor iedereen.
     

  • Een lichtplan op maat van de wijk verhoogt het comfort en het veiligheidsgevoel en zet bezienswaardigheden in de kijker. Het lichtplan moet duurzaam zijn (LES) en er wordt rekening gehouden om de lichtvervuiling maximaal te beperken.

Ontwikkelingsplannen

 

  • Het is essentieel dat Brussel haar rol als compacte centrumstad, die vlot bereikbaar is met het openbaar vervoer, versterkt. Functies in de stad die verkeer genereren, moeten gelokaliseerd worden bij openbaar vervoersknooppunten. De lokalisatie van nieuwe functies en programma’s moet vertrekken vanuit een duurzaamheidsanalyse, die niet louter “economisch” van aard is, maar ook rekening houdt met kwaliteitsvolle ruimte, mobiliteit en leefmilieu.
     

  • We versterken de handelskernen en specifiek de kleinhandel en wapenen hen tegen de eenheidsworst van winkelketens en tegen grote winkelcentra. Dit door ze te beschermen, door kwaliteitseisen op te leggen en te investeren in de openbare ruimte.
     

  • Vanuit een duidelijke planningsvisie moet Brussel anticiperen op nieuwe ontwikkelingen en bewegingen in de stad. Nieuwe sectorale plannen zoals het mobiliteitsplan Good Move en het Internationaal Ontwikkelingsplan moeten geïntegreerd worden in een transversale visie van stadsontwikkeling. Wijken die te veel op zichzelf gericht zijn en niet uit de spiraal van achterstelling geraken, moeten worden gesteund en tegelijk ontsloten worden, zodat zij opnieuw aansluiting krijgen bij de globale stadsontwikkeling.
     

  • Het Duurzaam Gewestelijk Ontwikkelingsplan (GPDO) moet snel uitgevoerd worden. Volgende elementen maken deel uit van het GPDO:

    • De keuze voor een compacte en polycentrische stad; in functie van mobiliteit, geografie, economie, moet op sommige plaatsen verdicht en op sommige plaatsen open ruimte verdedigd worden; mobiliteitsknopen zoals de stationsomgevingen, metrostations moeten verdicht worden met een gemengd programma tot een centrumzone, meer bepaald het Weststation, Tour & Taxis en Biestebroeck.
       

    • Een integrale visie over het Gewest en zijn rand; het Internationaal Ontwikkelingsplan, met een programma voor grootstedelijke functies, moet concreter worden en op locaties worden vastgepind.
       

    • Een Brusselse visie op hoofdinfrastructuren, als tegengewicht van sectorale visies van NMBS, de Haven, de luchthaven.
       

    • We integreren het concept “leeftijdsvriendelijke stad” in het GPDO. Dat concept werd in 2005 geïnitieerd door de Wereld gezondheidsorganisatie (WHO). Het uitgangspunt is dat een stad op maat van de zwaksten (ouderen en kinderen) het harmonieus samenleven tussen generaties bevordert en ouderen toelaat om langer actief te participeren in alle aspecten van het samenleven. Dit betekent dat de structuren (publieke ruimten, woongelegenheden, buurtcentra, ...) en diensten (zorgcentra, sociale diensten, openbaar vervoer, administraties, gezondheidsdiensten, opleiding, ...) beter toegankelijk gemaakt worden voor senioren en dat met de specifieke noden van zwakkere bevolkingsgroepen rekening gehouden wordt bij het uittekenen van het stedelijk beleid.
       

    • De Hoofdstedelijke Gemeenschap van Brussel moet een integrale ontwikkelingsvisie inzake watergebonden transport, industriële activiteiten, stedelijke en recreatieve activiteiten ontwikkelen. Het waterfront in het centrum van Brussel heeft een stedelijke toekomst. De industriële en logistieke activiteiten van de Haven van Brussel wijken uit naar het noorden, richting Schaarbeek-Vorming en Vilvoorde. Ter hoogte van het Meudonpark in Neder-Over-Heembeek komt een recreatieve waterzone in samenspraak met de lokale bewoners.
       

    • Beeldkwaliteitsplannen voor de inrichting van hefboomgebieden;
       

    • Een Hoogbouwnota voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest;
       

    • Het Gewestelijk lichtplan;
       

    • Heldere en afdwingbare normen om zwakke en ecologische functies te garanderen per wijk of bouwblok: een minimumaantal m2 openbare ruimte moet voorzien worden bij de constructie van hoogbouw;
       

    • De gemeentelijke ontwikkelingsplannen worden volledig geïntegreerd in het GPDO. Ze bestaan niet meer als aparte ontwikkelingsplannen;
       

    • Voor strategische hefboomgebieden wordt het richtschema rechtsgeldig door een regeringsbesluit en door het afsluiten van een convenant met privépartijen, zodat snel een contractuele verbintenis ontstaat.

De Kanaalzone

 

  • Jarenlang werd de verdere ontwikkeling van de haven beloofd, 1500 nieuwe jobs was de doelstelling. Die jobs zijn er niet gekomen. Onder meer omdat er wel veel ruimte is rond de haven en het kanaal, maar die ingevuld wordt door activiteiten die weinig tewerkstelling genereren.

  • De volkswijken aan het kanaal zijn ontwikkeld met de rug naar het water, terwijl het kanaal juist zuurstof in de stad brengt. De wijken zijn onderling slecht verbonden en beschikken over te weinig openbare ruimte en recreatiemogelijkheden. Tegelijkertijd staan er oude gebouwen leeg en zijn de fabrieksterreinen verlaten. De enige activiteiten die overblijven creëren weinig tewerkstelling en genereren verkeersoverlast. Wij willen de Kanaalzone ontwikkelen als ruggengraat voor stadsontwikkeling en openbare ruimte.

  • De openbare ruimte wordt te veel ingenomen door overlast van onnodig verkeer. Daarom moeten logistieke activiteiten – zoals de verkoop van tweedehandswagens in de Heyvaertwijk – verhuizen naar de rand van de stad, o.a. naar Schaarbeek-Vorming of Anderlecht Industrie. De Marly Cokessite kan de tweedehandsautoverkoop opvangen. In de plaats komen in de Heyvaertwijk woningen en meer arbeidsintensieve en stedelijke activiteiten, zoals horeca, toeleveringsbedrijven voor het toenemende congrestoerisme in Brussel.

  • Stadspark Tour & Taxis wordt het grootste park van Brussel en zal vertakken naar de omliggende stadswijken “De Kaaien”, “Mabru” (het eiland tussen de sporen waar de Vroegmarkt plaatsvindt), “Bockstael”, “Maritiem”, “Koekelberg”, “Schaarbeek Station”, “Masui”, “Noord”.
     

  • De kanaalzone staat omwille van de centrale ligging en veelheid aan beschikbare terreinen volop in de belangstelling van ontwikkelaars. We leggen 3 kwaliteitseisen op aan ontwikkelaars in de kanaalzone:
    - Kwaliteitsarchitectuur goedgekeurd door de Bouwmeester
    - Sociale mix met 20 % sociale woningen
    - Ruimte tussen kaaimuur en gebouw inrichten voor voetgangers, fietsers en voor recreatie

     

  • Op de Mabru-site komt een nulenergiewijk, verbonden met het kanaal en de andere volkswijken zoals de Maria-Christinawijk in Laken en de stationswijk van Schaarbeek.
     

  • Waar mogelijk worden de kaaien verlaagd zodat een eenvoudige toegang tot het water, bv voor pleziervaart of kajak, mogelijk wordt.
     

  • Aan het koninklijk Domein van Laken liggen dichtbevolkte woonwijken zonder voldoende groenruimte. Het park wordt opengesteld voor iedereen. De toegankelijkheid van het groen in het park wordt gegarandeerd.
     

  • Op het Bécodok komt hét recreatiedok van Brussel. Hier is plaats voor een openluchtzwembad, maar ook voor horeca, speeltuinen, voetbalterreintjes, een skatepark of een klimmuur. Bécodok vormt ook een groene link tussen het stadscentrum en het stadspark aan Tour & Taxis.
     

  • Aan het Vergotedok worden woningen ontwikkeld. De schroot- en zandhopen verdwijnen, maar er blijft plaats voor arbeidsintensieve stedelijke economie. Het Zennepark dat hierachter komt vormt de groene verbinding tussen de Masuiwijk en het stadspark aan Tour & Taxis.

     

  • Aan het kanaal komt een campus waar vorming en werk elkaar ontmoeten in een groene omgeving aan het water. Dat wordt een project gedragen door Abatan, Zuidhaven, Erasmus Hogeschool.
     

  • Arbeidsarme bedrijvigheid – denk maar aan de schroothopen of opslagplaatsen voor brandstof – willen we verplaatsen. Een geschikte plaats daarvoor is Schaarbeek-Vorming, eerder dan aan het kanaal in het centrum.
     

  • Waar ruimte vrijkomt, zoals in de Heyvaertwijk, de omgeving van Tour & Taxis of aan de MIVB-stelplaats (Weststation), maken we – naast woningen en openbare ruimte – plaats voor arbeidsintensieve sectoren. Naast de havenactiviteiten moeten bijvoorbeeld de creatieve sector en nieuwe toeleveringsbedrijfjes voor de congreseconomie er hun plaats krijgen.

  • De economische poot van de CityDev wordt geïntegreerd met de Haven Van Brussel zodat er een coherent ruimtelijk beleid komt voor economische ontwikkeling.

  • De Zones Voor Economische Ontwikkeling (ZEUS) die lokale tewerkstelling stimuleren, worden verder uitgebouwd langs het kanaal.

Kwalitatieve architectuur en hoogbouw

 

  • Brussel is volgebouwd met gemiste kansen. De bouwmeester waakt over de architecturale kwaliteit van onze gebouwde omgeving, met respect voor het bouwkundig erfgoed. De bouwmeester promoot verder het organiseren van gegroepeerde wedstrijden voor overheden (gewestelijk en lokaal). Externe jury’s beoordelen ontwerpen onder andere op ontwerpkwaliteit, interactie met de stedelijke omgeving en duurzaamheid. We werken bij de voorbereiding van projecten systematisch samen met de Brusselse Hogescholen.
    Die projecten moeten ook aandacht hebben voor het Brusselse armoedevraagstuk en interactie met de stedelijke omgeving mogelijk maken. Projecten bedacht in een ivoren toren en (exclusief) voorbehouden aan bemiddelde mensen, houden nauwelijks rekening met de specifieke noden van Brusselaars met minder middelen. Wij willen een inclusieve stad.
    De voorbije vijf jaar kwamen er veel grijze gevels bij. Nochtans heeft Brussel meer kleur nodig. Want kleur geeft leven, optimisme, iets wat we nodig hebben op dagen dat het regent, sneeuwt,... met andere woorden wanneer de hemel ook al grijs kleurt. Het gebruik van materialen en kleur zijn van invloed op de beleving van een gebouw. We kunnen dus bij renovatie of nieuwbouw extra accenten leggen op het gebouw én een boost geven aan geestelijke gezondheid.

     

  • Het is voor jonge architecten vaak niet duidelijk welke kansen Brussel biedt. Het gewest moet open oproepen lanceren voor al zijn projecten (sociale huisvesting, City Dev-projecten, openbare ruimte, restauratie...) waarbij niet alleen grote studiebureaus met veel ervaring kans maken, maar ook talentvolle beginnende architecten. Dit kan door in de aanbesteding een kleiner gewicht toe te kennen aan de noodzakelijk referenties.
     

  • Er komt een specifiek architectuurprogramma voor stedelijke functies – zoals sociale huisvesting of infrastructuur – die door architectuurkwaliteit een maatschappelijk draagvlak kunnen vinden.
     

  • We willen dat er tijdens de volgende legislatuur in Brussel een aantal projecten en bouwwerken gerealiseerd wordt met een iconografische architecturale kwaliteit. Niet om blindweg een ‘Guggenheimeffect’ na te streven, maar omdat de Brusselaars recht hebben op vernieuwing en schoonheid in de gedeelde, stedelijke omgeving. We denken daarbij bijvoorbeeld aan de stationsomgevingen, de omvorming van het Bécodok tot recreatiedok, de Josaphatsite en Biestebroeck.
     

  • Om de bevolkingsgroei op te vangen en de overgebleven ruimte niet volledig in te palmen, maakt Brussel de keuze voor duurzame verdichting, onder meer door kwalitatieve hoogbouw en samenwoonprojecten. Om de architecturale kwaliteit te garanderen verplichten we dat de bouwmeester betrokken wordt bij de bouw van hoogbouw. Via simulaties van de schaduweffecten en windontwikkeling meten we de impact op de buurt.
     

  • We stellen een hoogbouwnota op om de skyline van Brussel te bewaken en vorm te geven.
     

  • Torengebouwen stellen hun dakverdieping open voor het publiek. Zo betrekken we de buurt en creëren we extra bezienswaardigheden.
     

  • We stimuleren naast publieke ook private kwaliteitsarchitectuur door het organiseren van opendeurdagen, tentoonstellingen en een jaarlijks prijskamp voor kwaliteitsarchitectuur (zowel publiek als privé).
     

  • Om meer kwalitatieve architectuur te injecteren in het straatbeeld, voorzien we informatiecampagnes en creëren we een architectuurloket om bouwheren te adviseren over mogelijkheden voor particuliere projecten
     

  • In het kader van stadsvernieuwingscontracten maken we middelen vrij voor gevelrenovaties om de stad weer cachet te geven en lijn te brengen in de wildgroei van gevelborden.