©one.brussels

  • White Facebook Icon
  • White Twitter Icon

geëngageerde Brusselaars met

het beste onderwijs voor alle Brusselse ketten

 

Onderwijs moet drempels slopen, niet opwerpen. Er gaan veel meer kinderen naar het Nederlandstalig onderwijs dan er gezinnen zijn waar thuis Nederlands wordt gesproken. De kwaliteit in het Nederlandstalig onderwijs mag echter niet lijden onder de onderinvestering in het Franstalig onderwijs. Het aantal taalgemengde gezinnen in het Nederlandstalig onderwijs bij de instroom dubbel zo groot is als het aantal eentalig Nederlandstalige gezinnen. De keuze die deze ouders willen maken om hun kinderen tweetalig te laten opgroeien, kent geen formeel vervolg in een tweetalig, laat staan meertalig onderwijs.

Onderwijs dat diversiteit waardeert

  • Veel Brusselse kinderen zijn gebaat bij tweetalig onderwijs. Ouders moeten in Brussel de keuze hebben voor deze onderwijsvorm. We moedigen de oprichting van tweetalige scholen aan door bestaande inrichtende machten of nieuwe initiatiefnemers. Het op te richten Brussels stedelijk onderwijsnet legt zich specifiek toe op de oprichting van een gespreid aanbod tweetalige scholen. Daarnaast kunnen bestaande Nederlandstalige en Franstalige scholen nauwer samenwerken en leerkrachten uitwisselen. We schaven de lerarenopleidingen bij en lanceren gerichte leerkrachtencampagnes om ook voldoende leerkrachten te hebben met de juiste vaardigheden om in het Brussels tweetalig onderwijs aan de slag te gaan.
     

  • De toekomst van het Brusselse onderwijs is er een die zich aanpast aan de eigen Brusselse realiteit, met een aangepast curriculum maar dezelfde eindtermen als elders. Dat is een onderwijs dat van in de peutertuin rekening houdt met taaldiversiteit, en dus een schooltaal die slechts voor een minderheid ook een thuistaal is. Een onderwijs op maat van de ketjes en hun toekomst betekent ook een onderwijs dat steeds meer tweetalig is.
     

  • Het Brussels onderwijs is vandaag nog te weinig afgestemd op de diversiteit van Brussel. Het referentiekader van kennisvakken is voor veel Brusselse kinderen niet herkenbaar, en sluit daarom kinderen uit. Een uitsluiting die paradoxaal genoeg versterkt wordt in de levensbeschouwelijke vakken, waar de diversiteit zit in het aanbod, maar te weinig in de deelname aan dat aanbod. We streven naar een onderwijs dat ruimte geeft aan een zo groot mogelijk gemeen veelvoud op vlak van kennis. We inspireren ons op de voorstellen rond algemeen vormende vakken over levensbeschouwing, ethiek, burgerschap en filosofie.
     


  • Het referentiekader van de scholen moet ook verder aangepast worden aan de Brusselse realiteit. De diversiteit van Brussel schuilt ook in haar diversiteit aan talen. Op school dient er op een positieve manier om te worden gegaan met de thuistaal van elk kind, vanuit de wetenschap dat een dergelijke inclusieve houding bijdraagt tot groter zelfvertrouwen en betere schoolprestaties. Voorbeelden uit het buitenland kunnen hierbij eventueel tot inspiratie dienen, bijvoorbeeld het moedertaalonderwijs in Zweden. Er moet een Brussels curriculum komen, weliswaar met behoud van de eindtermen. In een stad met zo’n taalrijkdom moeten we durven Latijn en Grieks verbreden door Arabisch en Chinees.

  • Een Brussels curriculum kan ook meer aandacht besteden aan stedelijke ontwikkeling en mobiliteit, de Europese Unie, aan de diversiteit van de aanwezige culturen, de nabijheid van de andere taalgemeenschap, maar ook aan het koloniale verleden van Brussel en België.

  • Ons Gewest is officieel tweetalig. In alle gemeenten van het gewest richt de gemeente Franstalig basisonderwijs in, maar niet noodzakelijk ook Nederlandstalig basisonderwijs. Als gemeenten wel Nederlandstalig onderwijs inrichten, loopt het niet altijd vlot: gemeentelijke scholenbouwdossiers hebben bijvoorbeeld een ellenlange doorlooptijd. De schaal van het Nederlandstalig gemeentelijk onderwijs is meestal te klein om efficiënt te werken, het vermogen van gemeentelijke diensten om dat Nederlandstalig onderwijs te organiseren vaak te beperkt. Het brengt de logistieke, infrastructurele en pedagogische kwaliteit in het gedrang. Wij concluderen daaruit: de Brusselse gemeente als inrichtende macht is niet efficiënt, al zeker niet voor het Nederlandstalig onderwijs. Deze taken en eraan verbonden middelen worden dan ook best overgedragen naar het niveau van het gewest, waar ze door de gemeenschapscommissies op een daadkrachtiger manier kunnen worden aangewend. We vervangen het gemeentelijke publieke net door een publiek Brussels stedelijk onderwijsnet dat via het Gewest wordt gecoördineerd en tweetalig, Nederlandstalig en Franstalig onderwijs inricht.
     

  • De opgestarte tweetalige lerarenopleiding wordt verdergezet. Afgestudeerden kunnen aan de slag in het Nederlandstalig, Franstalig en tweetalig onderwijs. Tegelijk nemen we de verschillende drempels weg die een vlotte uitwisseling van leerkrachten – en in het bijzonder talenleraren – tussen Nederlandstalig en Franstalig onderwijs in de weg staan.
     

  • Samenwerking tussen beide gemeenschappen bevoegd voor onderwijs in Brussel is een conditio sine qua non om alle Brusselse kinderen en jongeren zo veel mogelijk kansen te geven op het beste onderwijs. Dat geldt voor scholenbouw maar evengoed voor het monitoren van schooluitval, de controle op de schoolplicht, het uitwisselen informatie, maar ook van leerkrachten of het overleggen over leerplannen op maat van Brussel.
     

  • De nood aan nieuwe schoolgebouwen is hoog, ruimte in Brussel is schaars. De Brusselse minister-president heeft de regie over het afstemmen van de inspanningen van beide gemeenschappen. De Dienst Scholen van Perspective.Brussels levert vandaag al een bijdrage aan de monitoring van vraag en aanbod. Ze neemt een actievere rol op in het concreet afstemmen van de planning en identificeren van samenwerkingsmogelijkheden. Ook is ze een proactief bemiddelaar bij de soms moeizame vergunningsprocedures, bijvoorbeeld bij het vaak voorkomende burenprotest.
     

  • Veel Brusselse scholen hebben nood aan grondige renovatie. Er moeten ook veel nieuwe scholen bijkomen om aan de vraag te voldoen. Dit betekent kansen voor kwalitatieve architectuur, zonder de focus op veiligheid te verliezen. Scholen moeten de best mogelijke omgeving creëren waarin kinderen kunnen leren en ontspannen. Bij scholenbouw wordt daarom systematisch beroep gedaan op de diensten van de Brusselse Bouwmeester (bMA).
     

  • Zowel de monitoring van de vraag als het realiseren van een passend aanbod wordt bekijken we op de schaal van de metropolitane regio en niet alleen van het stadsgewest Brussel. We gaan daarbij uit van bereikbaarheid (en dus van mobiliteit eerder dan afstand).
     

  • Scholen moeten ook nog gebruikt worden als de huidige generaties kinderen opgegroeid zijn. Dat kan alleen door multifunctionele gebouwen te voorzien en door scholen te bouwen dichtbij metrostations (of ander openbaar vervoer) zodat bereikbaarheid gewaarborgd is.
     

  • De Vlaamse Gemeenschap en de VGC hebben de minimale verantwoordelijkheid om de capaciteit van het lager onderwijs en secundair onderwijs mee te laten stijgen met de demografische aangroei om het huidige aandeel van het Nederlandstalig onderwijs van ongeveer 18 à 20% te behouden of te laten groeien.
     

  • Het inschrijvingsbeleid in Brussel is verschillend in de scholen van de twee Gemeenschappen. Een systeem van centrale aanmelding in het Franstalige onderwijs en een compatibele informatisering en uitwisseling van leerlingengegevens tussen de beide Gemeenschappen is een absolute noodzaak, niet alleen in functie van leerplichtcontrole en spijbelpreventie, maar ook voor het monitoren van de inschrijvingen van kleuters die nog niet leerplichtig zijn. Het Gewest moet de koppeling maken tussen de twee gemeenschappen. Het inschrijvingsbeleid in het Nederlandstalig onderwijs in Brussel blijft een sociaal inschrijvingsbeleid. We pleiten voor een gelijkaardige sociale voorrang in het Franstalig onderwijs in Brussel.
     

  • Ouders gaan bij hun schoolkeuze vaak af op perceptie. Het is dus nodig om de kwaliteit van alle scholen, en dus ook de minder gegeerde, in de verf te zetten. Daarnaast gaan we voor een beter taalonderwijs en samenwerking rond Frans en Nederlands in de scholen door een gedeeld statuut te voorzien voor leerkrachten die ‘over de grens’ gaan werken, ondersteunen we die leerkrachten door intervisie, uitwisseling, extra opleiding en info over het ‘andere’ onderwijssysteem. Er zijn veel factoren die bepalen of een ouder kiest voor het Nederlandstalig of het Franstalig onderwijs. Er komt daarom een wetenschappelijke monitoring van de keuzemotivatie van ouders. Daaruit groeien afspraken over doorverwijzing en sensibilisering van Brusselse ouders over hun schoolkeuze en implicaties van of vooroordelen over een keuze voor het NL of het FR onderwijs.
     

  • Er is veel vraag van ouders voor ondersteuning wat betreft het Nederlands van kinderen. Als het gaat om kinderen die niet in het Nederlandstalig onderwijs zitten, zijn de mogelijkheden te beperkt of te duur. Naast structurele oplossingen (het verbeteren van het niveau van het Nederlands in het Franstalig onderwijs, verbeteren van het imago van het Nederlands) mogen we zelf geen afwachtende houding aannemen. We moeten hiermee aan de slag. Dit is een opportuniteit voor het Nederlands in Brussel. Het Huis van het Nederlands biedt lessen Nederlands aan voor volwassenen. Dit willen we ook voor kinderen? Ook gemeenschapscentra, bibliotheken en scholen kunnen oefenkansen in de vrije tijd voorzien. Dit is trouwens evenzeer van belang voor kinderen die wel al naar het NL onderwijs gaan, maar voor wie extra leer- en oefenkansen ook niet altijd evident zijn.

  • We schaffen de klassieke CLB-werking (Centrum Leerlingbegeleiding) in Brussel af en zetten het personeel in als zorgcoördinatoren: dichter én meer aanwezig op het terrein, in de scholen. We investeren ook in meer naschoolse ondersteuning op de scholen. Tot slot creëren we extra zorginternaten voor kinderen van 6 tot 18 jaar.
     

  • We zoeken vaak naar ontmoetingsplaatsen waar kinderen en volwassenen talen uitwisselen/leren. Een van de meest eenvoudige hefbomen zijn gezelschapspellen. Die zitten sowieso in de lift. De meeste Ludotheken in Brussel worden echter enkel gefinancierd door de Franse gemeenschap. Dit betekent ook dat ze zich in de eerste plaats richten tot Franstaligen en ook ondergefinancierd zijn. We ondersteunen deze waardevolle initiatieven door beide gemeenschappen voor een beter aanbod en vakkundige professionele begeleiding.

Een school voor iedereen

  • Ieder kind heeft recht op een plaats in een basisschool in de buurt van zijn woonplaats en in het net van zijn keuze, ook in Brussel. Iedere scholier heeft recht op een passend aanbod secundair onderwijs bereikbaar vanuit zijn woonplaats.
     

  • Alle Nederlandstalige Brusselaars die vandaag kiezen voor een Nederlandstalige kleuterschool, lagere school of secundaire school moeten gegarandeerd plaats vinden. Tegelijkertijd investeren we in de uitbreiding van het aanbod om alle kinderen een plaats te geven.
     

  • In het basisonderwijs behouden we het voorrangspercentage van 55% voor kinderen die thuis Nederlands spreken met minstens een van beide ouders. Deze voorrang volstaat, ze verhogen is niet de juiste prioriteit. Het Nederlandstalig onderwijs heeft samen met het Franstalig onderwijs de verantwoordelijkheid ook plaats te geven aan de vele anderstalige kinderen in Brussel. Een te hoog voorrangspercentage zal er in de praktijk voor zorgen dat in enkele zeer gewilde scholen enkel Nederlandstaligen kans op een plaats maken, waar minder populaire scholen nog minder Nederlandstaligen zullen zien binnenkomen.
     

  • De voorwaarden om tot de voorrangsgroep Nederlands gerekend te worden in het basisonderwijs houden zoveel mogelijk rekening met de mate waarin de kinderen het Nederlands al verworven hebben:
     

    • Door het vereiste niveau van beheersing van het Nederlands door de ouders te verhogen.

    • Door voorrang te geven aan kinderen die voor de inschrijving in een onthaalklas minstens 200 volle dagen doorgebracht hebben in een erkende Nederlandstalige kinderopvang.

 

 

  • Tussen de inschrijvingsperiode voor voorrang ‘Nederlandstalig’ (N) en voorrang ‘Gelijke onderwijskansen’ (GOK), wordt een overgangsperiode ingelast waarbij ouders die tot de voorrangsgroep N behoren maar geen plaats gevonden hebben in een school van aanmelding de kans krijgen aan te melden in een school waar wel nog plaats is.

  • Wat het secundair onderwijs betreft moeten ook alle kinderen die de eindtermen halen van een Nederlandstalige basisschool hun leertraject kunnen verderzetten in een Nederlandstalige secundaire school.

  • Er werd een nieuw inschrijvingssysteem secundair ingevoerd gebaseerd op loting. Het is goed dat er aanpassingen kwamen aan het vorige systeem en de ratrace die het first come first served principe van de online aanmelding ontketende. Het nieuwe systeem moet evenwel strak gemonitord en waar mogelijk verbeterd worden. Het is onmogelijk elk gezin 100% tevreden te stellen over zijn schoolkeuze: er zullen altijd scholen zijn waar de vraag groter is dan het aanbod. Het inschrijvingssysteem moet wel zo objectief en duidelijk mogelijk zijn.

 

Kwaliteitsonderwijs voor iedereen

  • In samenwerking met armoedeverenigingen willen we in het Brussels onderwijs netoverschrijdende expertise opbouwen in het (h)erkennen van de problematiek van kinderarmoede en in het creëren van een gemeenschappelijke oplossing, met een bijzondere aandacht voor de kostprijs van voor- en naschoolse opvang en activiteiten alsook maaltijden op school. We gaan voor warme maaltijden in elke school, waarbij de prijs van ‘een bonnetje’ inkomensafhankelijk is (gratis dus voor wie in armoede leeft, zonder dat dit zichtbaar is = geen stigma voor kinderen in armoede).
     

  • Ook willen we Brusselse scholen begeleiden in het tegengaan van schulden bij ouders. Schoolfacturen zijn vaak de eerste die betaald worden. Betalingsachterstand hier wijst dan ook al snel op een complexe armoedeproblematiek. Zeker in Brussel is het belangrijk de schoolkosten te beheersen, voor Brusselse jongeren is de invoering van een maximumfactuur in het secundair cruciaal. Scholen worden ondersteund bij het menswaardig innen van schoolfacturen. We verbieden het inschakelen van incassobureaus. We besteden extra aandacht en middelen aan armere wijken.
     

  • De kinderopvang moet in Brussel opgevat worden als een sterk pedagogisch milieu, en een ontmoetingsplek voor ouders met een verschillende thuistaal die voor een gemeenschappelijke taal kiezen voor de opvoeding van hun kinderen. De kwaliteit van het Nederlandstalig onderwijs is gebaat bij een voldoende groot aantal kinderen dat bij de instroom al in contact geweest is met de onderwijstaal, idealiter als het Nederlands ook thuis gesproken wordt. We creëren de omstandigheden voor een voldoende Nederlandstalige instroom in het basisonderwijs door het aanbod Nederlandstalige kinderopvang dekkend te maken voor het aandeel kinderen in het kleuteronderwijs, dus voor 22 % van de Brusselse kinderen jonger dan 3 jaar. (zie ook hoofdstuk kinderopvang)
     

  • Een gedeelde taal is een belangrijke motor voor geslaagd samenleven. We versterken dan ook de kennis van het Nederlands maar gebruiken ook de meerwaarde van meertaligheid binnen de klas, bv. via CLIL (lessen in een andere taal dan het Nederlands, immersieonderwijs), het geven van niet-taalvakken in een andere taal.
     

  • Een goede beheersing van NL en FR verhoogt de kansen op de arbeidsmarkt drastisch. In zowel het NL als het FR Brussels onderwijs moeten beide talen aan bod komen vanaf het begin van het basisonderwijs.
     

  • Brusselse schoolteams worden geconfronteerd met diverse uitdagingen. Het is dus noodzakelijk om hen extra en op maat te ondersteunen. Het flankerend onderwijsbeleid is in Brussel moet verdiept en uitgebreid worden. Diverse actoren zoals het OCB (OnderwijsCentrum Brussel) kunnen hier een belangrijke rol spelen.
     

  • De kwaliteit van het onderwijs in Brussel (Nederlandstalig en Franstalig) hangt samen met het vinden en houden van gemotiveerde leraren, die liefst ook in Brussel willen wonen. Cruciaal zijn uiteraard een hogere werkzekerheid voor beginnende leerkrachten en een soepelere zij-instroom. Voor instappers in knelpuntenberoepen (onderwijs, zorgberoepen...) kan Brussel daarnaast inzetten op een aanbod van betaalbare studio’s of een gewestelijke én gemeentelijke belastingvrijstelling van tien jaar invoeren. We gaan voor meer jobzekerheid en pleiten voor een gelijkschakeling van het statuut van de leerkrachten in het Franstalig en Nederlandstalig onderwijs.
     

  • Het aantal Brusselse jongeren dat zonder diploma de schoolbanken verlaat is schrikbarend groot. De kansen om daarna een goede job te vinden zijn bijzonder klein. De inspanningen om schooluitval te vermijden worden geïntensifieerd. Er moet worden ingegrepen voor het te laat is. Er komen meer kwalitatieve alternatieve Time-out plekken. Daar kunnen jongeren en kinderen die het moeilijk hebben op school tijdelijk naartoe. Zo gaan we schooluitval tegen. Jongeren zonder diploma stimuleren we om dat alsnog te doen via tweedekansonderwijs, een uitdaging waarbij ze goed ondersteund moeten worden.

  • Wat daarnaast vooral moet gebeuren is preventie, een verbeterd onderwijs meer gericht op de interesses van jongeren, dat hen geboeid kan houden. Dat betekent ook goede infrastructuur voor technische vakken, verbeterde samenwerking met werkgevers voor stages, voor inlevingsmomenten, voor bezoeken en gesprekken en een aanpassing van de cursusinhouden.

  • Het aanbod aan nijverheidstechnisch secundair onderwijs moet tegelijkertijd afgebouwd (marktvreemde opleidingen) en uitgebreid worden (arbeidsmarktgeoriënteerd).
     

  • Het Nederlandstalig onderwijs in Brussel moet inclusiever worden. De expertise van de verstrekkers van buitengewoon onderwijs in Brussel wordt geïntegreerd in het flankerend onderwijsbeleid ter ondersteuning van het “gewone” onderwijs. Er moet wel toegekeken worden op voldoende financiering om de inclusieve taken te kunnen garanderen.
     

  • Elk kind in het Nederlandstalig onderwijs moet bewegen tijdens de schooluren. Dat wil zeggen dat er ten minste voldoende tijd is voor sportbeoefening, gymnastiek en zwemmen. Dat vereist ook infrastructuur is voor sportbeoefening, gymnastiek en zwemmen. Daar waar er geen of onvoldoende capaciteit is moeten investeringsmiddelen op bovenlokaal niveau worden aangewend, indien nodig door een samenwerking met privé-partners.

  • Het recht om te leren zwemmen komt in het gedrang door een gebrek aan zwembaden in het Gewest. We ijveren voor meer zwembaden in het Gewest.

Scholen ingebed in hun omgeving

 

  • De 29 brede scholen hebben zich de voorbije jaren stevig ingebed in Brussel. Elke brede school is anders maar allemaal creëerden ze nieuwe (leer)kansen voor de Brusselse kinderen door linken te leggen tussen school, vrije tijd, gezin en buurt. Een hervorming dringt zich op zodat op termijn alle Brusselse leerlingen kunnen profiteren van deze best practice. Een brede school draait om vertrouwen en terreinkennis. Elke hervorming moet gedragen worden door de scholen en de brede schoolcoördinatoren die de terreinervaring hebben. Intensief overleg moet er ook zijn met andere cruciale partners zoals gemeenten en lokaal aanwezige organisaties binnen de sectoren sport, welzijn, cultuur,... Voor het secundair onderwijs wordt de brede school mogelijk gemaakt vanuit de VGC/GGC in plaats vanuit de gemeentes. Leerlingen uit het secundair zijn daarenboven zelf veel mobieler. Een interessant aanbod, niet beperkt tot de eigen gemeente, is een kans om de stad in haar geheel te ontdekken.
     

  • In de toekomst hanteren we voor de brede scholen een regionale benadering, eerder dan de verankering aan bepaalde scholen die er vandaag is. Coördinatoren zijn dan voor langere tijd actief in een bepaalde regio, en voor meerdere scholen. De ‘standplaats’ kan bepaald worden binnen de lokale context. Een sterke link met de gemeente blijkt in de praktijk cruciaal om dingen mogelijk te maken. In de regionale benadering kan voorzien worden dat de VGC voor elke gemeente minstens één brede schoolcoördinator (co)financiert die specifiek tot taak heeft voor de (verschillende) regio(’s) actief op het grondgebied van de gemeente de samenwerking school-gemeente-buurt te stimuleren. In navolging van het lokaal cultuurbeleid kan deze subsidie aan de gemeente afhankelijk gemaakt worden van concrete engagementen naar samenwerking, openstelling van infrastructuur e.d.
     

  • Tegen 2025 moet elke Brusselse Nederlandstalige school deel uitmaken van een of meerdere brede schoolprojecten.
     

  • De kwaliteitscontrole van de brede schoolprojecten gebeurt autonoom en met wetenschappelijke onderbouw.
     

  • We willen de verbroedering bevorderen met anderstalige scholen in Brussel, België, Europa en de wereld. Dit koppelen we aan concrete samenwerkingsprojecten, in het bijzonder met de landen van herkomst van de leerlingen.
     

  • We ondersteunen scholen en ouders opdat er in elke Brusselse school een ouderraad actief is. Het is goed voor een school om betrokken en geëngageerde ouders te hebben die kunnen bijspringen waar nodig.
     

  • We stimuleren scholen om hun infrastructuur open te stellen buiten de schooltijd. We stimuleren scholen om hun infrastructuur open te stellen buiten de schooltijd. De overheid moet er wel op toezien dat de veiligheid van de infrastructuur gegarandeerd blijft (door permanente controles) en het onderhoud in deze ruimtes opvolgen, zodat het schoolpersoneel en de leerlingen geen risico’s lopen.
     

  • In navolging van de werking van TADA stimuleren we scholen om ook tijdens de schooluren linken te maken met concrete voorbeelden uit de Brusselse arbeidsmarkt. Dat kan een gastles zijn door een EU-ambtenaar maar evengoed een werkbezoek aan de fietsenmaker om de hoek.
     

  • Op het niveau van die Brusselse metropolitane zone moet ook een interface gecreëerd worden voor de monitoring en coaching van werkgevers in functie van de uitbreiding van het aantal stageplaatsen.
     

  • Het deeltijds kunstonderwijs in Brussel moet versterkt worden. Na de analyse van de infrastructurele noden is het de volgende jaren tijd voor concrete bouwprojecten, te beginnen met de academies die op het punt staan hun toelating te verliezen. Wij pleiten voor een territoriale samenwerking over de netten heen en samenwerking en overleg met de Franstalige academies. De academies moeten begeleid worden in de omgang met een multicultureel publiek. Ze moeten ondersteund worden in de promotie van hun activiteiten, de kwaliteit van het aanbod, de scholing van de leerkrachten, de verankering in de wijken en het aanhalen van de banden met het regulier onderwijs, de culturele centra, de gemeenschapscentra, VZW’s en de Brede school. Een grote kans hierin is de lessen door leerkrachten uit het DKO na de lesuren te laten plaatsvinden in de gewone schoolgebouwen.
     

  • We spreken een groter en meer divers publiek aan door het inschrijvingsgeld in de academies voor kinderen onder de 12 jaar te verlagen.
     

  • De artistieke dynamiek in de hoofdstad kan ook een creatieve dynamiek in het Brussels onderwijs versterken. Waar taaldiversiteit de norm is, kunnen artistieke talen verbindend zijn en leiden tot nieuwe vormen en tot verbinding. Wij willen een vernieuwend beleid waarbij kunstenaars, kunstinstellingen, DKO en regulier onderwijs elkaar inspireren.
     

  • Elke leerling uit het Nederlandstalig secundair en basisonderwijs krijgt een Paspartoe. Hiermee kan de leerling in schoolverband en daarbuiten genieten van het culturele leven.
     

  • Brusselse scholen moeten gretig inspelen op de steeds toenemende interesse van jongeren in leefmilieu. Scholen vormen ideale plekken voor allerlei vormen van stadslandbouw die meteen ook heel wat educatieve doelen kan dienen. Speelplaatsen kunnen ‘wild’ onderhouden worden om biodiversiteit alle kansen te geven. Maar ook de mobiliteitsvraagstukken rond de school of de duurzaamheid van de gebouwde omgeving kan door de scholen ingezet worden als actieve leerstof.

Hogeschool en onderwijs

 

  • De universiteiten en hogescholen in Brussel die hun financiering vanuit Vlaanderen ontvangen leveren elk academiejaar knappe koppen af. Internationaal is de VUB geroemd om haar onderzoek en expertise. Als we willen dat ze deze rol kunnen blijven opnemen dienen zowel Vlaanderen als Brussel hen blijvend verder te ondersteunen.

  • Er is meer financiering nodig om kansengroepen beter te begeleiden en binnen een realistisch tijdskader naar een diploma te leiden. Het Brutus tutoringprogramma is een goed voorbeeld van hoe de linkt te leggen tussen secundaire scholen en hoger onderwijs. Het tutoringprogramma kan nog verbeteren, maar heeft steun nodig.
     

  • Internationale studenten kunnen voor het verkrijgen van hun verblijfsvergunning en andere vragen zich richten tot één administratie die zorgt voor een vlotte afhandeling in het Engels.
     

  • Het Brussels Gewest ondersteunt spin-offs die in de schoot van onderwijs en onderzoek ontstaan, bij hun verankering nadien in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
     

  • Universiteiten en hogescholen die hun link met de meertalige en kosmopolitische stad versterken worden hierin financieel ondersteund.
     

  • We willen meer diversiteit in het Brussels lerarenkorps en stellen voor dat korps een diversiteitsplan op.