©one.brussels

  • White Facebook Icon
  • White Twitter Icon

geëngageerde Brusselaars met

Brussel als het nieuwe Berlijn

‘Why Brussels is the new Berlin’, titelde de New York Times eind 2015. Onze stad trekt wereldvermaarde kunstenaars, galeriehouders, ontwerpers, dansgezelschappen, architecten, hoteliers, designers, muzikanten en acteurs aan. Volgens de New York Times wint Brussel meer en meer aan cultureel belang.


Brussel heeft veel culturele troeven: 90 musea, 35 theaters en honderden creatieve bedrijven. De culturele sector is goed voor meer dan 16.000 banen. Brussel is een cultuurstad van wereldformaat. Hier gebeurt veel.


Stedelijke kunstwerkplaatsen, tijdelijke kunstenaarscollectieven, sociaal-artistieke wijkprojecten, etc. vinden steun (én vrijheid) in het beleid van de Gemeenschappen. Maar een gemeenschappelijk beleid is er niet. Verschillende organisaties en kunstenaars klagen dat ze geen subsidies kunnen krijgen omwille van de taal in hun statuten.


Er zijn twee institutionele Gemeenschappen, de federale overheid, de gemeenten, de VGC, de Cocof. Wij zijn ervan overtuigd dat Brussel zelf een grootstedelijk cultuurbeleid moet ontwikkelen waarvan alle gemeenschappen, ook de internationale, aandeelhouders zijn.
Er zijn ruim 650 door VGC erkende lokale en bovenlokale sociaal-culturele verenigingen die dagelijks inzetten op verbinden. Sociaal-cultureel werk ambieert maatschappelijke verbetering. Dankzij vrijwillig engagement bereikt sociaal-cultureel werk een divers publiek en is ze de grootste leeromgeving voor volwassenen in Brussel. Kansengroepen in het bijzonder hebben er baat bij. Brussel neemt het voortouw als laboratoriumplek voor het sociaal cultureel werk door haar superdiverse samenstelling, en haar diverse sociaal culturele praktijken. Dit moeten we blijven waarmaken. Brussel is een mooie stad waar veel sociaal-cultuurwerkers trots op zijn.


Brussel moet een laboratorium blijven waar vernieuwing kan, maar waar ook ervaren kunstenaars gedijen. Het cultuurbeleid moet ruimte geven aan ervaring, aan experiment en aan verkenners.

Meertalige sociaal-culturele verenigingen als motor van verbinding

  • Brusselaars komen van overal. Het enige wat ons bindt is Brussel zelf. Brussel is een ‘state of mind’, een ontmoetingsplek met veel troeven maar ook gemiste kansen. Brussel heeft projecten en organisaties nodig die ontmoetingen creëren en mensen met elkaar verbinden. Het sociaal-cultureel werk speelt een cruciale rol. We willen het verder uitbouwen. De voorbije legislatuur kwam er nieuwe regelgeving, met de focus op vernieuwing en samenwerking. De middelen voor sociaal-cultureel werk gingen al omhoog. We willen nu meer projecten waarbij sociaal-culturele verenigingen samenwerken met andere organisaties, met aandacht voor de stedelijke context.

  • Het verenigingsleven verandert. Die nieuwe organisatievormen verdienen aandacht. We geven hen de kans om volwaardig mee te draaien en toegang geven tot subsidies. De overheid moet ruimte en budgetten vrijhouden.

  • We blijven inzetten op groepsparticipatie aan culturele activiteiten. De Paspartoe en de sociaal-culturele verenigingen zijn hier natuurlijke partner.

Participeren aan cultuur

 

  • De economie Ondanks het rijke en nabije vrijetijdsaanbod participeren nog te weinig Brusselaars eraan. De voorbije legislatuur hebben we, met succes, ingezet op de participatie van jongeren via de scholenwerking van de VGC en Paspartoe. We breiden deze werking uit en verstevigen haar. Elke jongere die naar het Nederlandstalig onderwijs gaat zou minimaal 1 x per jaar naar een culturele activiteit moeten gaan. Naast de gemeenschapscentra betrekken we zoveel mogelijk gevestigde culturele spelers hierbij. We moeten ook de grotere theaterhuizen stimuleren om in hun programma schoolvoorstellingen op te nemen.

  • Deelnemen aan het bestaande, erkende en gesubsidieerde aanbod is belangrijk. Anderzijds moet ook meer aandacht gaan naar de verschillende niet erkende verenigingen, die vanuit eigen culturele achtergrond concerten en evenementen opzetten. Denk aan Ras El Hanout in Molenbeek, vereniging die een heel groot publiek op de been brengt, maar niet bekend is bij het eerder ‘reguliere’ publiek. Ook dergelijke initiatieven verdienen aandacht en subsidies. Ze zijn van belang voor een evenwichtig samengesteld en rijk cultureel veld.

  • Cultuur verbreedt het perspectief van kinderen en jongeren en kan verborgen talenten blootleggen. Wie al op jonge leeftijd leert genieten van cultuur, zal dat later ook blijven doen. Een cultuureducatie die vertrekt vanuit de leefwereld van jongeren moet een centrale plaats krijgen in ons onderwijs en in de brede school. Lasso (het Brussels netwerk voor cultuurparticipatie en kunsteducatie) heeft zich hier de voorbije jaren in gespecialiseerd en zal een partner worden voor het beleid. Ook langs Franstalige kant moet een dergelijk netwerk gestimuleerd worden.

  • We willen de openbare ruimte omtoveren tot culturele belevingsplekken en kinderen ernaartoe lokken. Alle beschikbare krachten – van kunstenhuizen tot jeugdcentra – moeten daarvoor de handen in elkaar slaan. De kunstensector, met name het BKO (Brussels Kunstenoverleg) en RAB (réseaux des Arts de Bruxelles) hebben al het voortouw genomen.

  • Met het ENTER-festival in 2018 hebben we geëxperimenteerd met burgerbudgetten. Op vier verschillende plaatsen kregen bewonersgroepen een programmatiebudget, en konden zo zelf beslissen over de inhoud van het festival. Dit was een succes en we moeten hierin verder gaan. De grote huizen, musea, concertzalen... moeten een deel van hun budget reserveren voor een programmatie door bewonersgroepen. Hierbij moet niet alleen gedacht worden aan de klassieke programmatie maar ook inspraak over de thema’s waarmee cultuurhuizen aan de slag gaan.

  • We maken één geïntegreerde pas voor Paspartoe en Article 27. De filosofie loopt immers gelijk. Article 27 werkt met de federale middelen die via de OCMW's beschikbaar zijn (dus per gemeente). Die samenwerking zal effect hebben op het onderhandelen van kortingen en de communicatie naar toeleiders en mensen in armoede. We integreren ook zeker de bibliotheekkaart. Dat is een goede maatregel voor de schoolgaande jeugd.

  • Daarnaast breiden we het aanbod uit met niet-commerciële cinema, musea en ander vrijetijdsaanbod. We zetten ook Paspartoe in schoolverband in om kinderen al van jongsaf aan met cultuur in contact te brengen. Om de student de stad te doen ontdekken en nog beter te leren kennen willen we ook een Paspartoe met toepasselijke voordelen actief aanbieden aan de studenten, in samenwerking met universiteiten en hogescholen in het Brusselse. (zie hoofdstuk onderwijs)

  • We gaan na welke andere mogelijkheden voor integratie in één kaart er nog meer zijn bv. de studentenkaart, lerarenkaart, museumpas, etc.. We kennen deze kaart automatisch toe aan rechthebbenden. Dit kan eenvoudig via een bestaande link met de kruispuntdatabank en bespaart heel wat werk. We koppelen ook de Paspartoe aan het ticketing en inschrijvingssysteem van de VGC.

  • Uit studies blijkt dat mensen die zelf actief kunst beoefenen, meer participeren aan culturele activiteiten. Het deeltijds kunstonderwijs (DKO) in Brussel verdient daarom alle ondersteuning. We spreken een groter en meer divers publiek aan door het inschrijvingsgeld in de academies voor kinderen onder de 12 jaar te verlagen en voldoende kansentarieven te voorzien. (zie ook hoofdstuk onderwijs)

  • Onderzoek toont verder aan dat fysieke nabijheid van deeltijds kunstonderwijs belangrijk is. We moeten er dus op inzetten voldoende partners te vinden, zodat er in alle wijken van Brussel mogelijkheden zijn om les te volgen in het DKO. Dit kan door samen te werken met de lokale bibliotheken, de gemeenschapscentra of het onderwijs. Ook bij bouwprojecten moet er steeds aandacht zijn voor samenwerking en optimalisering van het ruimtegebruik. Wanneer we het landschap van het DKO bekijken is het Nederlandstalige DKO een grote blinde vlek in het zuiden van Brussel.

  • Cultuur beleven is geen 9-5-activiteit. De openingsuren van culturele huizen en musea in Brussel moeten flexibeler en uitnodigen om aan cultuur te participeren na 18u. Evenementen zoals de museumnocturnes en Museum Night Fever tonen aan dat er zeker een publiek is buiten de reguliere openingsuren. Kanal Brut, het nieuwe museum in de Citroëngarage was oorspronkelijk elke dag open tot 22u. Na tegenvallende resultaten, zijn ze enkel nog op zaterdag open tot 22u en op andere dagen tot 19u. We moeten meer musea overtuigen om te experimenteren met toegankelijkheid en hun openingsuren.

  • Jonge ouders die voorheen regelmatig aan culturele activiteiten participeerden, verliezen deze regelmaat als ze kinderen krijgen. Brusselse cultuurhuizen, musea, bibliotheken en gemeenschapscentra kunnen daarop inspelen. Activiteiten zoals de Matinee Kadee van het Kaaitheater en de Family Fundays van Wiels tonen aan dat dit werkt.

  • Cultuur in de gevangenissen verrijkt de blik op de buitenwereld en kan helpen bij de re-integratie in de maatschappij.

  • De regelgeving voor de sociaal-culturele verenigingen werd tussen 2014 en 2019 grondig en goed gewijzigd. We willen géén aanpassing aan de regelgeving. Die zit goed. Wel willen we slim digitaliseren bij opvolging van aanvraagdossiers en genereren van maatschappelijk relevante cijfers en de timing van de verantwoordingscyclus voor de verenigingen herzien. Inhoudelijk willen we meer inzetten op zichtbaarheid van het sociaal cultureel werk in de stad (via BRUZZ e.a), netwerking onder de verenigingen, waarderen en inspireren van vrijwilligers.

Cultuur als hefboom voor wijken in Brussel– op naar een Masterplan atelierruimtes

  • Plekken waar mensen samenkomen zijn van levensbelang voor een stad. We willen de Brusselaar letterlijk plaats geven, vrijplaatsen waar ze kunnen experimenteren en creëren. Ook de ruimtes van organisaties mogen een grotere openheid vertonen. Maak van verschillende ruimte in culturele instellingen ‘hangruimtes’ voor jongeren. Op die manier leren ze de huizen al kennen en ontstaat er een dialoog. Globe Aroma is hier een goed voorbeeld van, maar ook Kanal Brut heeft een groot deel van de gelijkvloerse verdieping vrij toegankelijk gemaakt. Ook gemeenschapscentra, huizen en andere culturele spelers moeten hierover nadenken.

  • Dankzij de Nieuwlandsite hebben we eindelijk een urban jeugdcentrum, dat internationale ambities koestert en naast publiekscentrum ook dienstdoet als expertise- en experimenteercentrum voor alle jongeren die bezig zijn met urban culture. Voor jongeren zijn er geen scheidingen tussen sport, cultuur en het vrijetijdsleven. We hebben in ons beleid ook oog voor het multidisciplinaire karakter van jongerencultuur en laten ons niet verleiden tot het installeren van tussenschotten.

  • De drempel om een museum, cultuurcentrum of concertzaal binnen te stappen is voor veel mensen nog te hoog. Kunst moet ook leven in het straatbeeld. Er komen meer kwalitatieve kunstwerken op pleinen, meer graffiti- en stripmuren, en meer Street art op kale of braakliggende plekken. In de grote leegstaande ruimtes in metrostations geven we kunstenaars de kans hun werk te tonen of kunnen dansers een try-out organiseren.

  • We moeten Brusselaars en bezoekers overtuigen dat straatartiesten deel uitmaken van de stad. Ze worden nog te scheef bekeken. Nochtans dragen ze bij tot rust en sfeer in de stad. Denk maar aan de periode na de aanslagen in Brussel. Straatmuzikanten waren de eersten die terugkeerden en de bezoekers een veilig gevoel gaven. Vaak voor enkele euro’s in weer en wind. Daarom moeten we samen met de handelaars en de bewoners bekijken hoe we artiesten met een originele en kwalitatieve act een plek kunnen geven in de stad.

  • Net als vele andere steden heeft Brussel een tekort aan repetitie- (dans, theater, muziek,...) en creatieruimte (beeldende, audiovisuele kunst, mode, design,...). Talloze jeugdverenigingen, culturele verenigingen, ouderenverenigingen,... kampen met ruimtetekort. We willen een inhaalbeweging voor (brand)veilige en duurzame infrastructuur en tijdelijke cultuurplekken. De laatste jaren hebben we een inhaalbeweging gemaakt door nieuwe infrastructuur te bouwen en door infrastructuursubsidies te geven aan gezelschappen. We willen hier blijven op verdergaan en ook inzetten op gedeelde ateliers voor beeldende kunstenaars en grafische kunstenaars. We willen op zoek naar een goed uitgeruste ruimte die gedeeld kan worden door veel beeldende kunstenaars, maar waarin ook ruimte is voor kleinere en afgescheiden ateliers. We gaan na waar de VGC zelf kan inspringen en zetten in op lange termijn, niet op kort lopende projecten. Zo maken we de inbedding in de wijk mogelijk.

  • De Brusselse kunstenaars hebben nood aan afgescheiden ateliers waar ze verder werken aan hun kunstwerk. Daarnaast is er ook vraag naar een opslagruimte van onderdelen of logistiek voor een tentoonstelling. In steden zoals Berlijn en Amsterdam beheert de overheid een deel van de ruimtes die als atelierruimtes worden gebruikt. Brussel moet dat ook doen. Niet alleen bij langdurige leegstand, maar ook bij nieuwbouw moeten we nadenken over verplichte atelierruimtes. We vragen aan perspective.brussels om een onderzoek uit te voeren naar vraag en aanbod van ruimtes, benodigde oppervlaktes en beschikbare budgetten. Op basis daarvan moet er een Masterplan komen voor culturele infrastructuur op lange termijn. Op die manier kunnen we Brussel ook op lange termijn aantrekkelijk houden voor kunstenaars. Ook spots.brussels, de Brusselse gids van culturele zalen en podia, moet hier een regierol krijgen en vraag en aanbod aan elkaar koppelen.

  • We blijven verder inzetten in op jeugdculturele zones: open, creatieve experimenteerruimtes voor jongeren. Ze belichamen een nieuwe manier waarop jongeren kansen krijgen (of afdwingen) om zichzelf creatief en artistiek te uiten.

Kunsten over de grenzen heen

  • De kunstensector heeft het voortouw genomen in de uitbouw van een Brusselse culturele identiteit. Een paar jaar geleden werd een cultureel akkoord gesloten tussen de twee Gemeenschappen. Dat is lang symbolisch gebleven maar begint nu concrete vruchten af te werpen. In deze legislatuur hebben we ook met alle bevoegde ministers een akkoord gesloten over de gemeenschappelijke cultuurcommunicatie in Brussel. Alle activiteiten zullen eenvoudig terug te vinden zijn op 1 plaats, en beschikbaar in het Nederlands, Frans en Engels.

  • In Brussel zijn er momenteel 42 mensen politiek verantwoordelijk voor cultuur. In one.brussels blijven de gemeenschapscentra en de centres culturels zeer belangrijk door hun nabijheid. Ook de VGC en Cocof moeten hun verantwoordelijkheid blijven nemen. Het Brussels gewest moet een regierol op zich nemen door in samenspraak met de Vlaamse en de Franse Gemeenschap en met de federale culturele instellingen één cultureel intendant aan te stellen. De culturele intendant tekent een gemeenschappelijke artistieke en culturele visie voor Brussel uit, evenals een gemeenschappelijke cultuurpromotie en -communicatie. De intendant ziet toe op de uitvoering van het Cultuurplan voor Brussel.

  • De Gewestelijke middelen die nu voor cultuur worden ingezet onder de noemer uitstraling van Brussel kunnen gerichter ingezet worden op de typisch Brusselse, meertalige initiatieven die niet onder één gemeenschapsnoemer vallen. De besteding van deze middelen zal ook de opdracht zijn van de intendant, maar zal afhankelijk zijn van de goedkeuring door de bevoegde collegeleden van beide Gemeenschappen. Op die manier kunnen we genoeg aandacht besteden aan de vele, meertalige kunstenaars en organisaties die nu vaak uit de boot vallen. En komen we ook tegemoet aan de problemen die veel organisaties hebben dat ze van de ene naar de andere overheid worden doorverwezen.

  • Naast de samenwerking op beleidsniveau tussen de verschillende overheden, is er nood aan samenwerking op sectorniveau tussen cultuur, onderwijs, tewerkstelling, toerisme... Hier zijn al stappen gezet. Denken we bijvoorbeeld aan de samenwerking tussen dans en musea tijdens de Museum Night Fever. Het cultuurbeleid in Brussel stimuleert en ondersteunt deze sectoroverschrijdende samenwerking.

  • Een percentage van de bouwkost van nieuwe Brusselse overheidsgebouwen wordt besteed aan kunst. Op het niveau van de VGC wordt dit nu al gedaan, en ligt er een nieuwe verordening klaar. We willen dit op Gewestelijk vlak ook realiseren voor alle bouwwerken van, of met een belangrijke bijdrage van, de overheid.

  • We blijven organisaties en initiatieven zoals Zinneke en Zinnema ondersteunen die grenzen doen vervagen: tussen amateurs en professionelen, tussen binnen en buiten, tussen gemeenschappen.

  • De enorme diversiteit in Brussel zou ook en vooral in de culturele sector moeten weerspiegeld worden, zowel wat betreft personeel, bestuur, aanbod en publiek. Dit vraagt een open vizier op het vlak van cultuureducatie, programmatie en vorming. Cultuurhuizen kunnen bijvoorbeeld meer stages organiseren voor jongeren, als volwaardige medewerkers in het hart van de organisatie. Zo krijgen we de superdiversiteit van Brussel binnen in de cultuurtempels.

  • In Brussel er is veel steun mogelijk, maar door wirwar van kanalen en bevoegde overheden zien veel kunstenaars het bos niet meer door bomen. Zonder dat we hiermee nieuwe administratie oprichten, willen we één duidelijk aanspreekpunt creëren voor kunstenaars. Dit moet gebeuren door een nauwe samenwerking tussen de bestaande overheden (Franse Gemeenschap, Vlaamse Gemeenschap, Vlaamse Gemeenschapscommissie...)

  • Nederlandstalige media in Brussel: BRUZZ (radio/tv/magazine/website) is de belangrijkste mediaspeler voor de Nederlandstalige Brusselaar. BRUZZ brengt ook de gemeenschappen samen en zorgen voor een bekendmaking van het cultuuraanbod. Verder informeren ze over politieke bewegingen in Brussel. Koken kost geld en dus moeten we verder blijven investering in BRUZZ zodat het met de verschillende mediakanalen kwaliteit kan brengen en innoveren.

Erfgoed

  • Wij hebben als eerste en lang en enige gepleit voor een Brussels museum voor moderne en hedendaagse kunst in de Kanaalzone. Het uitgangspunt daarbij was het gigantische potentieel dat aanwezig is in Brussel, zowel de federale collectie als de vele privécollecties die verborgen bleven voor het grote publiek. De keuze van de Kanaalzone was ingegeven door het feit dat die zone baat zou hebben bij een ambitieus project. De komst van Kanal-Pompidou in de voormalige Citroën garage kan kansen bieden, zowel voor de wijk als voor het culturele veld. De federale staatssecretaris bevoegd voor de federale collectie weigerde om te participeren aan het museum. Daardoor is er nu een samenwerking is met het Franse Centre Pompidou. Wij zijn ervan overtuigd dat deze samenwerking enorme kansen kan bieden, maar ook dat deze na het verstrijken van de huidige overeenkomst moet aflopen. Brussel heeft meer dan genoeg talent om van deze iconische site een succesverhaal te maken. We zetten tijdig de nodige stappen zodat dit nieuw museum een Belgisch verhaal wordt, met een duidelijke aanwezigheid en stempel van de Brusselaars.

  • De ligging van dit nieuw museum verplicht het ook tot samenwerken: een buurt met langs de ene kant veel kans armoede, en langs de andere kant enorm veel culturele spelers. Kanal-Pompidou moet bruggen slaan naar alle buurtbewoners.

  • De Brusselse museumraad blijft voor ons een instelling die we sterk moeten ondersteunen. Ze zorgt niet alleen voor samenwerking en synergie tussen de musea, maar zet de musea ook op de kaart door allerlei acties en evenementen te organiseren zoals de Nocturnes, Museum Night Fever, de 100 schatten-catalogus, het museumplan enzovoort... Musea moeten bewaren en bestuderen. Maar om echt te leven bij de Brusselaars moeten ze ook jong en oud over de vloer krijgen.

  • De wetenschappelijke federale instellingen moeten zich bezighouden met de kern van hun opdracht, i.e. het runnen van een museum als een wetenschappelijke instelling (onderzoek, conservatie, aankoopbeleid, pedagogisch beleid,...). Bovendien moeten de instellingen meespelen in internationale debatten. Daarvoor moeten we hen de nodige artistieke en academische autonomie geven, door een aantal taken uit hun handen te nemen, zoals bijvoorbeeld het beheer van de gebouwen, het personeelsbeheer en het management. Die functies kunnen een onderkomen vinden in een gewestelijke structuur, los van het inhoudelijke.

  • We willen aandacht voor de volkstaal en volkscultuur van Brussel. In kosmopolitisch Brussel betekent dit ook dat we het immaterieel erfgoed uit de migratie ontsluiten. We willen geboren en ingeweken Brusselaars en bezoekers laten proeven van het Brusselse dialect, bijvoorbeeld door opschriften op plaatsen in de stad, of door haltes om te roepen in het dialect op bus en tram. Het Huis van de Brusseleir is daarin de centrale partner.

  • Brusselse tradities hebben het moeilijk om te overleven. Het is belangrijk dat evenementen zoals de meiboomplantingen blijven bestaan, maar ze moeten ook bijdragen aan het toerisme, sociale leven en de lokale middenstand. Samenwerking van folkloreverenigingen met lokale bedrijven en cultuurhuizen is de boodschap. Ook toenadering tot scholen, jeugdverenigingen en rusthuizen is een mogelijkheid. Het succes van de Zinnekeparade is het bewijs dat tradities een reden van bestaan hebben.

  • Erfgoed moet worden ingezet als verbindend element tussen gemeenschappen. Projecten zoals Lentefestival hebben dit bewezen. Ook willen we de erfgoeddatabank uitrollen in elke Brusselse gemeente

Gemeenschapscentra 2.0

 

  • De afgelopen legislatuur is er enorm veel geïnvesteerd in de renovatie en vernieuwing van de gebouwen, maar ook in het onderhoud en de toegankelijkheid ervan. Ruim 1/3 van het patrimonium werd zeer grondig verbouwd. In de volgende periode moet deze renovatie afgerond worden zodat elk centrum kan beschikken over een aangepaste infrastructuur. We willen hier samenwerken met de Vlaamse Gemeenschap zodat het proces snel kan afgerond worden en de gemeenschapscentra zich kunnen focussen op hun kerntaak. Prioritair daarbij zijn Nekkersdal, Maalbeek en Ten Weyngaert.

  • Een goede zorg voor de infrastructuur is cruciaal voor haar instandhouding. De voorbije legislatuur voorzagen we meer middelen voor het onderhoud en kleinere werken aan de GC’s. Deze lijn moet aangehouden worden, zodat de infrastructuur up to date blijft.

  • De gemeenschapscentra spelen een cruciale rol in Brussel. Het zijn open huizen, toegankelijk voor iedereen ongeacht culturele of sociale achtergrond. Door hun nabijheid zijn het ontmoetingscentra waar de bewoners in contact komen met diverse vormen van cultuur en educatie, waar participatie en emancipatie een constant werkpunt is. Broedplaatsen ook voor sociaal-culturele innovatie. Elk gemeenschapscentrum moet zich inhoudelijk profileren vanuit een duidelijke visie op de bredere Brusselse en de lokale maatschappelijke context. Geen Vlaamse vestingen maar actieve partners in de stedelijke netwerken, die samenwerkingsverbanden aangaan met het brede sociaal-culturele en artistieke aanbod. Betrokken ook bij het gemeentelijk beleid, niet enkel op cultureel vlak, maar eveneens bij het gemeentelijk jeugd- en ouderenbeleid, de stadsvernieuwingscontracten, de inrichting van openbare ruimte enz.

  • Het gemeenschapscentrum bestaat niet. Alle 22 centra hebben eigen accenten en doelstellingen. Er zijn centra die zich voornamelijk richten op podiumkunsten, andere op muziek, nog andere op jongeren of senioren. Uiteraard zijn er ook centra die een heel gevarieerde werking, doelgroepen en programmatie hebben. Die eigenheid moeten we koesteren.

  • We merken wel dat vele centra minder gekend zijn bij de jonge kunstenaars die in Brussel actief zijn. In de zomer van 2018 hebben we daarom voor het eerst geëxperimenteerd met zomerresidenties tijdens de sluitingsperiode van de centra. We willen hier verder over nadenken. We onderzoeken hoe we de beschikbare ruimte beter beschikbaar kunnen stellen van kunstenaars. Op die manier willen we de centra beter bij hen bekend en ook de beschikbare ruimte beter valoriseren. Voor de centra zelf is het ook van belang dat ze op deze manier een ander en nieuw publiek aanspreken en zich beter bekend maken.

  • N22, de koepel boven de 22 centra, respecteert de lokale autonomie van de gemeenschapscentra. Tegelijk zorgt het voor grotere herkenbaarheid, een eenduidig prijzenbeleid, bredere promotie en een efficiënte verspreiding van kwalitatief aanbod. We bekijken wat beter overkoepelend kan gebeuren en wat lokaal moet gebeuren. Gezien het belang van de scholenprogrammatie is het evident dat dit gebeurt door de koepel voor alle 22 centra. Ook over residentie-programma’s vinden wij centrale aansturing wenselijk, uiteraard met respect voor de eigen activiteiten en programmatie van de verschillende centra.
     

  • De gemeenschapscentra spelen in op de steeds groeiende vraag naar geïntegreerde informatie en lokale diensten, zoals buitenschoolse opvang. De VGC moet deze rol actief ondersteunen en daarbij ‘bevoegdheidsschotten’ tussen bijvoorbeeld Cultuur en Gezin overstijgen. Maar eigen activiteiten moeten wel kansen krijgen...

  • Er zijn 22 GC en 13 centres culturels agrées in Brussel. Deze bestaan naast de vele theater-, ontmoetings- en repetitieruimtes. Al deze initiatieven werken los van elkaar, soms op een steenworp afstand van elkaar. We moeten nadenken over fusies en samenwerkingen. Uiteraard moet er aandacht blijven voor het Nederlands, maar in een stad waar velen noch Nederlandstalig, noch Franstalig zijn van thuis uit, moeten we breder denken om een nieuw publiek aan te spreken. Door samen te werken en een nieuw publiek aan te spreken, kunnen we een liefde voor het Nederlands aanwakkeren, eerder dan het verplichte ‘Nederlands om een job te vinden’. Alle centra communiceren ook actiever op sociale media rond hun activiteiten en aanbod.
     

  • Als mensen zich niet herkennen in onze culturele activiteiten, gaan we ze nooit aanspreken. De GC, als meest nabije poort, moeten actief jongeren en buurtbewoners aanspreken, en een ‘programmatiecomité’ samenstellen.

Boeken beleven in de Brusselse bibliotheken

 

  • Van het personeel van de gemeenschapscentra verwachten we veel. Ze staan in voor de lokale verankering, de dialoog met buurtbewoners. Ze werken in steeds diversere omgevingen en hebben steeds diversere skills nodig om de groeiende waaier aan activiteiten aan te bieden. Dat personeel mag dan ook van de VGC verwachten dat er jobzekerheid is en goede werkomstandigheden. Continuïteit van dienstverlening is cruciaal. Elke functie binnen een gc is daarvoor nodig, zonder poetskracht geen bruikbare vergaderlokalen, zonder centrumverantwoordelijke geen inhoudelijke sturing, zonder technieker geen programmatie. Daarom moet er snel vervangen worden wanneer bepaalde krachten wegvallen. Het VGC personeelsbeleid legt daarvoor de nodige snelheid en flexilibilteit aan de dag.

  • Met Muntpunt hebben we een communicatiehuis in het hart van de stad dat de Brusselaars verbindt aan Muntpunt, aan elkaar en aan de andere Nederlandstalige Brusselse initiatieven in de stad. Boeken zijn het middel, ontmoetingen tussen mensen het doel. In Muntpunt huist de belevenisbibliotheek en het hoofdstedelijk informatiecentrum. Muntpunt is erin geslaagd een ruim publiek aan te spreken en is een ontmoetingscentrum geworden door de vele activiteiten, de gamezone, de studieruimtes... We willen Muntpunt ver inzet op programmeren en organiseren rond taal.

  • Naast Muntpunt spelen ook de lokale bibliotheken een belangrijke emanciperende rol. Ze brengen mensen samen en worden steeds meer gezien als en letterlijk omgevormd tot een derde verblijf, na thuis en de school of het werk. Ze vormen een essentiële schakel van het integraal lokaal cultuurbeleid en verbinden zich met de wijk door het aanbod en de activiteiten op hun omgeving af te stemmen.

  • Bibliotheken bieden ontmoeting buiten de school-, werk-, culturele- en religieuze grenzen. Brusselse Bibliotheken maken deel uit van de ‘grote boekenkast’ die alle Nederlandstalige bibliotheken samen vormen. De bibliotheken verbinden, gaan op zoek naar lokale actoren (onderwijs, cultuur en zelforganisaties) om hun publiek te verbreden. De bibliotheken bieden ‘verhalen’ en de organisaties doen aan de toeleiding. In sommige gevallen kunnen bibliotheken fungeren als lokale antennes. Boeken zijn belangrijk, maar een bibliotheek moet meer zijn dan dat. Aansluiting zoeken bij het deeltijds kunstonderwijs, de gemeenschapscentra,... als plaats waar ook activiteiten plaatsvinden. We denken na over nieuwe ‘functies’ van bibliotheken: opnamestudio’s, ruimte met gameconsoles en 3D-printers (zoals in Helsinki) of samenwerking met fablabs.

  • Weinig sectoren moeten zo snel reageren op de technologische veranderingen als de bibliotheeksector. Begin 2000 was een internethoek nog een deel van het eisenpakket, nu is dat al achterhaald. In Sejong city openden ze in 2013 al de ‘ebrary’, een samentrekking van emotion en library. De eerste generatie bibliotheken was analoog, de tweede digitaal, de nieuwe generatie moet een combinatie zijn. Centraal moet staan: de mensen, ontmoetingen en dan pas informatie. Het belangrijkste kenmerk van een bibliotheek moet haar openheid en flexibiliteit zijn: alleen zo kan ze inspelen op de technologische evoluties die niemand kan voorspellen.

  • Voor mensen die moeilijk het huis kunnen verlaten is er het boekenbende- aan-huis project. Dit is gericht op kinderen van de lagere school maar we willen dit project uitbreiden naar alle leeftijden, en inzonderheid senioren.

  • We zijn gestart met enkele anderstalige collecties: dit moeten we blijven uitbouwen. Het is de manier bij uitstek om in Brussel met de diversiteit om te gaan. We moedigen mensen aan om nieuwsgierig te zijn naar nieuwe talen, en we nodigen anderstaligen uit naar onze bibliotheken zodat ze ook met het andere aanbod in aanraking komen.

  • We pleiten voor een punctuele samenwerking tussen de bibliotheken van de twee gemeenschappen. Op dit moment verhindert de Vlaamse regelgeving het dat de Nederlandstalige en de Franstalige bibliotheken in één gebouw zitten. Met het nieuwe Brusseldecreet moeten we kijken of op bepaalde locaties het niet wenselijk zou zijn om intensief samen te werken tussen de Gemeenschappen en de diensten aan te bieden in hetzelfde gebouw.

Investeren in cultuur

 

  • De laatste jaren hebben we de VGC-budgetten voor cultuur gevoelig kunnen verhogen (+12%). Dat neemt niet weg dat deze sector extra middelen verdient. We zoeken daarom samen met haar naar nieuwe manieren van ondersteuning, via de Brusselaars zelf en, mits overleg, via het Brusselse bedrijfsleven.

  • We hebben binnen de subsidies voor de kunsten een nieuwe procedure voorzien, de korte procedure. Deze is gericht op jonge, beginnende kunstenaars die een beperkt budget nodig hebben. Deze procedure is minder complex en gaat veel sneller. Op die manier hebben we al veel jonge kunstenaars kunnen ondersteunen. We willen dit instrument verder verfijnen en beter communiceren naar een ruimere doelgroep, met aandacht voor kunstenaars die geen opleidingen kregen in de gekende Westerse kunstscholen. Er moet openheid zijn vanuit kunsthuizen om kunstenaars vanuit een andere artistieke canon te begeleiden en een waardige plaats te geven binnen het gevestigde artistieke veld.

  • Bij de toekenning van de subsidies hebben we ook veel meer gelet op de link met Brussel. Op die manier hebben we onze subsidies een veel zichtbaarder resultaat en renderen ze beter. Verschillende kunstenaars hebben hierdoor kansen gekregen en een mooi parcours kunnen afleggen. Wij willen gevestigde kunstenaars blijven erkennen, omdat ze voor Brussel kiezen en Brussel belangrijk maken. Het zwaartepunt ligt evenwel in het Kunstendecreet. Indien organisaties middelen krijgen via het Kunstendecreet, en als die hoger liggen dan €400.000, kunnen ze ook middelen krijgen van de VGC, maar dan specifiek voor residenties en begeleiding van jonge kunstenaars.

  • We werken aan burgerparticipatie door een deel van de programmatiebudgetten te reserveren voor bewonersgroepen: zowel in de grote huizen als in de gemeenschapscentra.

  • We werken een toekomstplan uit voor atelier- en repetitieruimte in Brussel. Zoals eerder aangehaald moet er een studie gebeuren door perspective.brussels om na te gaan hoeveel kunstenaars er zijn, hoeveel van hen een eigen ruimte hebben, hoeveel ruimte er nog gezocht wordt en wat kunstenaars gemiddeld kunnen besteden aan een atelier. Op die manier kunnen we het potentieel van Brussel als aantrekkelijke stad voor kunstenaars op lange termijn verzilveren. De belangrijkste redenen voor kunstenaars om zich hier te vestigen zijn de open en innovatieve ingesteldheid van de Brusselaar, maar ook de relatief goedkope huur in vergelijking met andere grote steden.

  • We willen dat Brusselaars postuum kunnen investeren in stedelijke cultuurprojecten via een fonds voor nalatenschappen. We zullen bij het Brusselse Gewest bepleiten dat de fondsen op naam, erfenissen en legaten in dat lokale fonds vrijgesteld worden van successierecht.

  • Dankzij de oprichting van Growfunding kunnen sociaal-innovatieve projecten voldoende middelen vinden om hun projecten te ondersteunen. Wij blijven Growfunding structureel ondersteunen omdat het als springplank moet blijven dienen voor aanstormende talenten die nog geen subsidie krijgen, of voor projecten waarin de overheid niet kan tussenkomen.

  • Op federaal niveau zullen we bepleiten dat alle giften aan cultuurinstellingen fiscaal aftrekbaar worden vanaf een bepaald bedrag.

  • Zeer veel kunstenaars leven in armoede. We moeten erop toezien dat kunstenaars kunnen leven van hun werk. Een correcte vergoeding van kunstenaars is uiterst belangrijk. Met de organisaties die we ondersteunen gaan we een gesprek aan over correcte uitkoopsommen, zodat alle betrokkenen een correcte vergoeding krijgen. Maar ook bij de organisaties en individuele kunstenaars die we ondersteunen met subsidies, zal er worden op toegezien dat er een correcte vergoeding is van alle betrokkenen door dit als extra criterium toe te voegen in het aanvraagdossier. Startende kunstenaars, amateurkunstenaars, deelnemers aan co- creatieprojecten (of sociaal-artistieke projecten) hebben recht op een kleine vergoeding voor kunstenaars (van zodra ze de artiestenkaart hebben aangevraagd). Toch riskeren ze OCMW-steun te verliezen, terwijl dit een eerste logische opstap is naar een professionele carrière – zeker voor hen, die niet de geijkte paden van artistieke opleiding in Europa hebben afgelegd. Dit risico nemen we weg door hen de ruimte te geven kleine projecten te doen.

  • In 2016 is screen.brussels opgericht ter ondersteuning van de audiovisuele sector. Screen.brussels geeft niet enkel leningen aan productiehuizen, maar steunt ook de komst van nieuwe audiovisuele technologieën. De infrastructuur van de openbare omroep kan toegankelijker gemaakt worden voor de private audiovisuele sector.

  • Het lokaal cultuurbeleid is een belangrijke partner, met in de meeste gemeentes een cultuurbeleidscoördinator, een adviesraad cultuur en samenwerking op lokaal vlak. SupervliegSupermouche is hiervan een goed voorbeeld, gegroeid vanuit een intergemeentelijke samenwerking en nu bovenlokaal sterk festival.