©one.brussels

  • White Facebook Icon
  • White Twitter Icon

geëngageerde Brusselaars met

één strijd tegen armoede

De armoedecijfers in Brussel blijven bikkelhard. Volgens het Observatorium voor Gezondheid en Welzijn groeit vandaag bijna één op vier kinderen op in een huishouden waar niemand werkt. Eén op drie Brusselaars moet rondkomen met een inkomen onder de armoederisicogrens. Brussel is de strijd tegen armoede aan het verliezen.
Te veel gezinnen verzeilen in de spiraal van generatiearmoede waaruit het zo moeilijk ontsnappen is. Te veel Brusselaars belanden door een combinatie van werkloosheid, echtscheiding, laag pensioen of ziekte in plotse armoede. Een betaalde job is geen garantie: te veel mensen die werken verzeilen vandaag in armoede. En ook veel te veel kinderen zijn arm. En ook te veel kinderen zijn arm. Nochtans staat Brussel in de top drie van de rijkste Europese regio’s.Deze rijkdom wordt blijkbaar niet eerlijk onder de Brusselaars verdeeld. Daarom pleiten wij voor eerlijke fiscaliteit en voor een bijdrage van iedereen aan de sociale en zorgsystemen in onze stad. Dat is een gedeelde verantwoordelijkheid van alle politieke niveaus. Belastingen op inkomens moeten betaald worden daar waar het inkomen gegenereerd wordt, op de plaats van tewerkstelling. Internationale bedrijven en instellingen zouden kunnen aangemaand worden om hun bijdrage te leveren aan de uitbouw van sociale voorzieningen, gezondheid- en zorgdiensten daar waar hun werknemers of ambtenaren aan hun eigen systeem bijdragen en niet aan de plaatselijke solidaire sociale zekerheidssystemen, waar ze wel van de diensten genieten.
We mogen de armoede in Brussel nooit gewoon worden. Maar met verontwaardiging alleen zullen we ze niet indijken. Wij willen het armoedebeleid aanpassen aan de grootstedelijke realiteit.
Het armoedebeleid zoals hier beschreven zal nooit slagen zonder een doorgedreven armoedereflex in alle beleidsdomeinen. Bovendien moet er hiervoor een grote inspraak komen van het middenveld en meer bepaald van de armoedeorganisaties.

Armoede voorkomen

  • Armoede bestrijden is armoede voorkomen. Het spreekt voor zich dat alle overheden daarbij verantwoordelijkheid dragen, de federale overheid voorop; zij moet ervoor zorgen dar de uitkeringen omhooggaan. De welvaart in ons land moet eerlijk verdeeld worden. Maar ook op Brussels niveau hebben we de mogelijkheid om het beschikbaar inkomen van de bewoners groter te maken. 

  • De tewerkstelling van Brusselaars moet verder omhoog, ook door tewerkstelling in de sociale economie. De Brusselse overheden hebben ook de mogelijkheid om de prijzen van belangrijke basisdienstverlening te beïnvloeden of te bepalen. De voorbije legislatuur is hier werk van gemaakt: de prijzen van de MIVB zijn niet meer gestegen, de watertarieven zijn bij de laagste van het land. Dit moet zo blijven en uitgebreid worden naar alle dienstverleningen: kinderopvang, onderwijs, elektriciteit, zorg, internettoegang. Deze diensten moeten goedkoop of, indien mogelijk, gratis kunnen zijn, in de eerste plaats voor de kwetsbare groepen in onze stad. De grootste kost voor veel Brusselaars is huisvesting. De volgende legislatuur moet huisvestingsbeleid een absolute prioriteit worden om de strijd tegen armoede aan te gaan. 

  • Alle schuldinvorderingsprocedures van de overheden of de semipublieke organisaties (leveranciers van water en elektriciteit, ziekenhuizen, scholen…) worden gecontroleerd op hun doeltreffendheid en menselijkheid. Het gewest ondersteunt deze organisaties in het correct innen van schulden, of neemt de schuldinvordering over. Het invorderen van schulden mag er niet toe leiden dat de schuldenaars in een nog diepere financiële put terecht komen.  Het gewest ondersteunt deze organisaties in het correct innen van schulden of neemt zelf een rol op door een gecentraliseerde aanstelling gerechtsdeurwaarders (cfr. coöperatieve DIAM in Vlaanderen). Op die manier heeft de overheid de garantie dat de schuldinvordering volgens de regels gebeurt maar ook dat eventuele schulden bij verschillende Brusselse overheidsorganisaties door één deurwaarder worden opgevolgd (wat extra kosten vermijdt).

  • Brussel heeft één bevoegdheid met reële impact op het inkomen van mensen: de kinderbijslag. Brussel voerde een systeem in met een lager basisbedrag (€150) maar met veel sociale toeslagen. Hierdoor krijgen arme en lage middenklasse gezinnen extra ondersteuning en is de Brusselse kinderbijslag een reëel instrument tegen kinderarmoede. We monitoren de resultaten van dit systeem en sturen bij waar nodig. We willen dat er op termijn nog meer geld kan gaan naar sociale toeslagen om de ongelijkheid door kinderarmoede zoveel mogelijk weg te werken. 

  • Het niet opnemen van rechten is te groot in Brussel. Sociale rechten moeten automatisch worden toegekend, zonder dat daar aanvragen voor nodig zijn. Indien dit niet kan, moeten alle Brusselse overheden de reflex hebben om zelf mensen te gaan identificeren en hen op de hoogte brengen van hun rechten. De belangrijkste redenen waarom rechten niet worden opgenomen zijn gekend: de digitale kloof, het ontbreken van een actieve bekendmaking door de overheid, mensen hebben schrik voor stigmatisering of er zijn mobiliteitsproblemen, waardoor mensen te weinig bij de dienstverlening terecht kunnen. Op elk van deze punten moet een actief beleid komen. 

  • We helpen mensen bij het verlichten van hun facturen door de oprichting van een kosten-knipper: consumentendiensten die mensen helpen met prijsvergelijkingen, met het afsluiten van nieuwe contracten, met doorlichting van aanrekeningen of ondersteuning van deelname aan groepsaankopen.

  • Verslavingen, en zeker gokverslaving, leiden tot grote financiële schulden en armoede. Het Brussels gewest voert een actief beleid om gokverslaving te vermijden, reclame voor gokken wordt uit Brussel geweerd. We beperken het aantal gokkantoren, net zoals het aantal cafés met caféspelen waar geld op ingezet wordt. Sommige cafés lijken meer en meer op kleine casino’s en dat verlaagd de drempel om te gokken en verslaafd te raken.

 


one.brussels ook voor sociale ondersteuning

  • De strijd tegen armoede in Brussel kan niet slagen zonder een gemeenschappelijke en gecentraliseerde aanpak, voor alle inwoners en over de taalgrenzen heen. Dit is niet contradictorisch met nabijheid en toegankelijkheid van voorzieningen. Het beleid wordt gecentraliseerd, maar fysieke aanwezigheid in de wijken en buurten van bijvoorbeeld sociale voorzieningen zijn uiterst belangrijk. Buurt- en wijkfilialen van sociale voorzieningen zijn de lokale vertaling van een krachtig centraal beleid. 

  • Dit geldt in de eerste plaats voor de belangrijkste actor in de strijd tegen armoede: het OCMW. Daar moet één beleid komen. Iedereen heeft recht op gelijke dienstverlening bij het OCMW, ongeacht de woon- of verblijfplaats in Brussel. Deze gelijkheid willen we garanderen door de 19 OCMW’s te verenigen in één stedelijk OCMW voor het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad. Deze centrale structuur rust op een gedecentraliseerde werking. Er komt een sociaal loket in elk deel van de stad voor elke vorm van dienstverlening en met identieke kwaliteitsnormen. Een ééngemaakt OCMW spreidt de solidariteit over het gehele gewest en helpt zo de tekorten weg te werken. De rijkdom van sommige gemeenten compenseert de geconcentreerde armoede in andere. 

  • Vanuit zijn expertise is het OCMW de spil en de regisseur van een lokaal sociaal beleid. Het kan met een ruim sociaal takenpakket de hele ketting van ongelijkheden aanpakken. Het OCMW moet een echt ‘sociaal huis’ zijn. Het OCMW moet actiever op zoek kunnen gaan in armoede, zodat de mensen sneller geholpen worden. Het OCMW moet ook haar netwerk uitbreiden om mensen die gespecialiseerde hulp nodig hebben snel te kunnen doorverwijzen naar specifieke hulpverlening. 

  • Om zijn taken goed te kunnen uitvoeren heeft het OCMW voldoende personeel nodig. De verloning van de sociale assistenten in de Brusselse OCMW’s is lager dan die in Vlaanderen en Wallonië. Dit verschil moet weggewerkt worden, zodat de Brusselse OCMW’s aantrekkelijker worden om voor te werken. Bovendien moet er één loonpolitiek komen voor alle Brusselse OCMW’s. Vandaag trekken bepaalde OCMW’s sociale assistenten aan uit andere Brusselse OCMW’s omdat ze hen betere voorwaarden kunnen bieden.

  • Een toegankelijk OCMW heeft voldoende tweetalig personeel, ook in de sociale loketten. Daarbij valoriseren we ook de aanwezige talenkennis van het personeel en de bewegwijzering naar het OCMW en aanduiding van de gebouwen, gebeurt ook in 2 talen. 


Vroegdetectie

  • Veel mensen hebben schrik van de stigmatisering om hulp te zoeken of nog erger schrik van het OCMW zelf. Of ze weten niet dat het OCMW hen kan helpen. Hierdoor wachten ze te lang om hulp te zoeken. Het OCMW moet, via een netwerk van middenveldorganisaties, scholen, ziekenhuizen, sneller die mensen vinden, zodat ze sneller geholpen worden. OCMW’s moeten dus outreachend werken met brugfiguren, of door bijvoorbeeld dienstverlening aan te bieden in scholen, in sociale organisaties en in buurthuizen, samen met kind en gezin en ONE en andere welzijnsorganisaties, zoals de centra algemeen welzijnswerk (CAW). 


Sterk sociaal beleid in elke wijk

  • Participatie blijft een zaak van goed geïnformeerde en geëmancipeerde burgers. Mensen in armoede en maatschappelijk uitgesloten groepen lopen verloren en vinden onvoldoende aansluiting bij het overheidsbeleid. Participatie in het beleid van kansengroepen verdient extra aandacht van beleidsmakers. In elk OCMW willen we een participatieraad van gebruikers en vertegenwoordigers van uitgesloten groepen, met structurele en regelmatige contacten met de OCMW-raad.

  • Meer ervaringsdeskundigen of mensen uit de wijk onder het OCMW-personeel – en dit op alle niveaus – zorgen voor een betere afstemming met de behoeften van de meest kwetsbaren.

  • Er komt een Brussels gewestelijk aanlooppunt voor de verenigingen waar armen het woord nemen, meteen ook een actief en open platform voor overleg, dialoog en evaluatie voor het beleid. Binnen het VGC welzijns- en armoedebeleid komt er een participatiegroep met vertegenwoordigers van de verenigingen waar armen het woord nemen en ervaringsdeskundigen in de armoede, om advies te geven over de beleidskeuzes. 

  • De armoedetoets wordt geëvalueerd en bijgestuurd zodat ze echte impact heeft op alle beleidsdomeinen van het Gewest en de VGC. Deze armoedetoets gebeurt door de betrokken organisaties in het middenveld (OCMW’s, verenigingen waar armen het woord nemen, wijkwerkingen, buurthuizen,…). 

  • Eén van de meest succesvolle methoden om het samenleven in de stadswijken te bevorderen is de uitbouw van wijkcentra met een gevarieerd aanbod aan laagdrempelige initiatieven (sociaal, artistiek, intercultureel, intergenerationeel enz.). Centra waar de bewoners elkaar kunnen ontmoeten, actief participeren en samen problemen in de wijk aanpakken. De wijkcentra Chambéry, Bonnevie, Buurtwinkel en Wijkpartenariaat bewijzen al vele jaren de grote meerwaarde van deze geïntegreerde aanpak. Zij spelen ook actief in op de meertalige omgeving door het aangaan van samenwerkingsverbanden met anderstalige partners en gemeentelijke initiatieven. Deze centra moeten blijvend ondersteund en versterkt worden en er moet worden geïnvesteerd in nieuwe centra. 

  • Er komen meer hygiënische toegankelijke voorzieningen voor wie het nodig heeft: gratis toiletten, gratis douches, enzovoort. Deze voorzieningen worden in kaart gebracht en nadien ook gepromoot onder de kwetsbare groepen in deze stad, de toiletten promoten we ook bij toeristen of bezoekers. Door kaartjes met publieke toiletten op toeristendienst uit te delen. Het geeft ook een extra druk op de verantwoordelijken om deze plaatsen te onderhouden en netjes te houden Dit uiteraard in afwachting van een structurele verbetering van de kwaliteit van de huizenmarkt en in afwachting van een dak boven het hoofd voor iedereen.

  • De digitale kloof moet gedicht worden. Alle burgers moeten toegang hebben tot internet, en kunnen werken met een computer, bij voorkeur bij hen thuis. Door de digitalisering van de samenleving worden veel mensen (ouderen, minder-geschoolden, armere bevolkingsgroepen) ernstig benadeeld in bepaalde dienstverlening. Zo merken we dat ouderen vaak geen toegang meer hebben tot financiële diensten omdat loketten gesloten worden en zij niet overweg kunnen met de digitale alternatieven. Elektronische loketten kunnen niet het persoonlijk contact vervangen.


Werkende armen en de strijd tegen de sluipende schulden

  • Een betaalde job voorkomt niet altijd armoede en uitsluiting. Door een (te) laag loon, een beperkt arbeidsregime of meerdere personen ten laste, belanden ook werkenden in de armoede. ‘Werkende armen’ zijn onaanvaardbaar. Werk moet altijd lonen. Een job moet een buffer tegen of een springplank uit de armoede zijn en een perspectief op vooruitgang bieden. We willen dat het gewest een specifiek beleid voor de ‘working poor’ ontwikkelt.

  • Er komt een specifiek OCMW-programma voor mensen met een laag inkomen. Dat programma biedt hulp bij huisvestingsproblemen en voorziet schuldbemiddeling en gezinsondersteunende diensten.

  • De bestaande koppeling van sociale voordelen aan bepaalde statuten heeft tot gevolg dat sommige mensen geremd worden op hun weg uit de armoede. Ook wie werk vindt en onder een bepaalde inkomensgrens zit, moet minstens tijdelijk blijven beschikken over sociale voordelen op vlak van huisvesting, openbaar vervoer, goedkope medicijnen enz. We willen dat sociale voordelen worden toegekend op basis van inkomen, niet op basis van statuut 

  • We willen sterkere systemen voor sociaal krediet. Dat zijn kredieten die zich richten op consumenten, maar alternatieven willen aanbieden voor de bestaande dure consumentenkredieten van de banken of grootwarenhuizen, dit in de eerste plaats voor huisvesting.

  • De schuldbemiddelingsdiensten kregen extra financiering. De volgende 5 jaar wordt de financiering nog verhoogd en structureel gemaakt en wordt ze ook beter bekend gemaakt, zowel bij mensen met schulden als schuldeisers, als andere hulporganisaties, zodat mensen sneller doorverwezen worden en hulp kunnen krijgen. 


 

Thuislozen

  • Het aantal thuislozen in Brussel blijft stijgen. De noodopvang is hervormd tijdens de voorbije legislatuur. De organisaties die noodopvang voorzien hebben een duidelijk kader gekregen waarbij ze kunnen werken, met kwaliteitsgaranties en een duidelijk kader voor financiering. Er is geïnvesteerd in de creatie van extra plaatsen, om ervoor te zorgen dat niemand buiten moet slapen. Daarnaast is ook Bruss’help uitgewerkt die bevoegd is voor de coördinatie van alle hulpstructuren en de daklozen naar de diensten kan oriënteren. Deze dienst zal ook monitoring kunnen doen van de resultaten en ondersteuning bieden aan andere beleidsdomeinen om thuisloosheid te vermijden. Bruss’help moet uitgebouwd worden tot een volwaardig expertisecentrum om het volledige Brusselse beleid te ondersteunen rond thuisloosheid, en meer geïntegreerde informatie te bieden over de profielen van daklozen. Dit zal gebeuren in nauw overleg met de organisaties op het termijn. Het platform ‘Recht op een dak, Droit à un toit’ – bestaande uit 80 Brusselse organisaties, is een belangrijke partner om Bruss’help te verwezenlijken.

  • Noodopvang blijft helaas noodzakelijk in de huidige Brusselse context. Noodopvang is immers de enige oplossing voor bijvoorbeeld mensen zonder papieren. Brussel moeten blijven aandringen bij de federale overheid dat deze eindelijk haar verantwoordelijkheid neemt en een menselijk beleid voert ten aanzien van asielzoekers en mensen zonder papieren. 

  • Het is echter noodzakelijk om noodopvang zoveel mogelijk te vermijden. In de eerste plaats door thuisloosheid te vermijden. We moeten investeren in betaalbare huisvesting, sociale economie, gezinsondersteuning, begeleiding bij verslaving, schuldbemiddeling etc. Uithuiszetting om financiële redenen moet vermeden worden, mensen die dreigen uit hun huis gezet te worden moeten door het OCMW geholpen worden. Om het OCMW dit te kunnen laten doen, moet het OCMW op voorhand op de hoogte worden gebracht en de tijd en ruimte krijgen om een oplossing (afbetalingsplannen op te maken, financiële steun of een nieuwe woning,…) te zoeken. Uithuiszettingen kunnen om geen enkele reden in de winter, ook niet bij privé verhuurders. 

  • Mensen die om één of andere reden toch thuisloos worden, moeten volwaardig de kans krijgen om terug deel te nemen aan de maatschappij. Housing First moet in Brussel verder uitgebouwd worden. We willen dat zoveel mogelijk thuislozen in de toekomst via het principe van housing first kunnen geholpen worden. Ook de onthaalhuizen worden ingeschakeld om mensen een alternatief te bieden voor een leven op straat. 

  • De toegang tot sociale woningen voor daklozen moet ook versterkt worden door meer punten toe te kennen aan thuislozen op de wachtlijsten voor sociale woningen. 

  • Voor elke thuisloze wordt nagekeken of alle sociale rechten worden opgenomen, ze krijgen hiertoe een referentieadres bij een OCMW. 

  • Het platform Roma wordt geherlanceerd. Alle actoren moeten samen met de overheid een structureel beleid ontwikkelen om ervoor te zorgen dat mensen met een specifieke Roma-achtergrond geïntegreerd geraken in onze Brusselse samenleving. Daarnaast stelt het Brussels gewest ook enkele terreinen met gepaste infrastructuur ter beschikking aan de rondtrekkende bevolking. 

  • Georganiseerd bedelen waarbij kinderen of mensen met een beperking worden ingezet kan niet. Kinderen horen thuis op de schoolbanken, niet op straat. Mensen met een beperking dienen zorg te krijgen. We grijpen in, waar nodig met dwang.

  • Voor dakloze mensen met psychische problemen willen we investeren in toegankelijke geestelijke gezondheidszorg en een professionele aanpak van het verslavingsvraagstuk. 

  • Er komt een heldere procedure waarin bepaald zal worden dat daklozen, wanneer zij een gevaar vormen voor zichzelf en /of andere, verplicht kunnen worden om in een residentiele opname te gaan. 


Kinderarmoede

Een op vier Brusselse kinderen groeit op in een huishouden waar niemand werkt. Uit de laatste studie van de Koning Boudewijnstichting over armoede en deprivatie bij Belgische kinderen blijkt dat de Brusselse extreem slecht scoort qua kinderarmoede ten opzichte van de andere gewesten. In Europa behoort Brussel tot de zwaksten van de klas. 


De strijd tegen kinderarmoede is een absolute prioriteit. Investeren in het verbeteren van de leefomstandigheden van kinderen, vermijdt dat arme kinderen later arme volwassenen. Om kinderarmoede volledig aan te pakken moeten op alle domeinen maatregelen genomen worden: tewerkstelling, huisvesting, verhoogde uitkeringen, goedkope of gratis basisdienstverlening, onderwijs, gezondheidszorg.

 

  • Snelle opsporing: voor kinderen moeten de signalen van armoede serieus worden genomen en hulpverlening onmiddellijk ingeschakeld. Kind en gezin, ONE, kinderdagverblijven en scholen moeten verder gesensibiliseerd worden om signalen te herkennen en door te geven aan hulpverleners. 

  • Huizen van het kind/maisons d’enfance worden uitgebouwd en hun werking gepromoot. Elke ouder met een om het even welke vraag rond gezinsondersteuning moet er terecht kunnen. De huizen moeten ook lokaal geïntegreerde projecten opzetten om de meest kwetsbare kinderen te helpen. 

  • Er worden door de Vlaamse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie extra investeringen voorzien in de bijzondere jeugdzorg voor het Brussels gewest. Het kind blijft het uitgangspunt en waar zorg of hulp nodig is of waar men preventief kan bijspringen, moeten er initiatieven voorzien worden. Continuïteit in de zorg voor het kind en/of jongere kan verzekerd worden door een persoonlijke coach (jongerencoach) of trajectbegeleider te voorzien. 

  • Brussel voert een actief beleid om meer mensen ouderschaps- en echtscheidingsbemiddeling aan te bieden.


Armoede onder ouderen

 

Niet alleen kinderen en gezinnen, maar ook veel ouderen krijgen te kampen met armoede. Bij ouderen is deze vaak meer verborgen omdat zij vereenzaamd zijn en vaak hun woning niet meer uitkomen. Uit studies blijkt bovendien dat tussen de 30 en 40% van de bewoners van Brusselse rusthuizen nog zeer valide zijn en vaak hun keuze laten bepalen door het feit dat ze over onvoldoende financiële middelen beschikken en dus kiezen voor het rusthuis als laatste toevlucht.

  • Er moet in Brussel dringend werk gemaakt worden van woonbeleid voor senioren. Dit moet vertrekken vanuit het principe dat een oudere zo lang als mogelijk in zijn vertrouwde omgeving moet kunnen verblijven, maar dat tegelijkertijd ook een gedifferentieerd aanbod aan aangepaste en betaalbare woningen wordt uitgewerkt, zoals aangepaste woningen voor senioren in de sociale woningbouw, serviceflats met zorgfaciliteiten, kangoeroewonen, … (zie ook onder “ouder worden in Brussel”)

  • Er wordt in Brussel in samenwerking met de OCMW’s en de mutualiteiten een valpreventieprogramma opgezet waarbij aan alle 70 jarigen de kans wordt geboden om hun woning te laten onderzoeken op valrisico’s door een dienst van de mutualiteit. Dit bezoek van de sociale dienst van de mutualiteit, laat toe problemen vast te stellen m.b.t. vereenzaming en armoede. In samenwerking met de PWA (Plaatselijk WerkgelegenheidsAgentschap), kunnen woonaanpassingen worden doorgevoerd. Wanneer dit niet het geval is kan in samenwerking met de sociale woningmaatschappijen of met de OCMW er ook gewerkt worden aan verhuis naar een betere en meer aangepaste huisvesting. Parallel aan deze huisbezoeken krijgen alle senioren een gratis cursus “valpreventie” aangeboden in socio-culturele centra, de gemeenschapscentra en in de lokale dienstencentra.


 

Recht op maatschappelijke en culturele ontplooiing

  • Artikel 27 van de Verklaring van de Rechten van de Mens formuleert de doelstelling om iedereen op een laagdrempelige manier toegang te geven tot culturele en ontspannende activiteiten en vakanties. Alle Brusselse culturele initiatieven, huizen, organisaties moeten zich hieraan niet alleen houden, maar duidelijk kenbaar – in print , web en social media -maken dat ze Artikel 27 hanteren in hun tarieven. We schrijven Artikel 27 en Paspartoe in het prijzenbeleid van een culturele organisatie in, als een hulpmiddel voor publiekswerking en –bemiddeling.

  • De OCMW’s moeten mensen en groepen in armoede concrete kortingen bieden voor deelname aan allerhande activiteiten (cultuur, sport, jeugdwerk en vrijetijdsbesteding). 

  • De Paspartoe vrijetijdspas van de VGC biedt kortingen voor mensen in armoede. Deze worden automatisch toegekend en het gebruik ervan moet verder vereenvoudigd en gepromoot worden. 

  • Welzijnsorganisaties en socioculturele verenigingen krijgen meer financiële ondersteuning om in groepsverband mensen in armoede te laten deelnemen aan cultuur. Er moet geïnvesteerd worden in toeleiders om de mensen in armoede wegwijs te maken in het culturele en vrijetijdsaanbod. De gemeenschapscentra moeten hierin een actieve rol opnemen.

  • Naar analogie van het Steunpunt Vakantieparticipatie van Toerisme Vlaanderen pleiten we voor de oprichting van een Gewestelijk Brussels steunpunt Vakantieparticipatie. De Brusselse OCMW’s en welzijnsorganisaties promoten actief en creatief het aanbod van dit Steunpunt Vakantieparticipatie, zodat ook mensen in armoede toegang op vakantie kunnen.

  • Kunst- en cultuurhuizen en gemeenschapscentra moeten gestimuleerd worden om meer mensen die door precaire leefomstandigheden niet aan cultuur participeren, te bereiken. Daar zijn verschillende manieren voor: samenwerkingen aangaan met armoedeverenigingen, lokalen ter beschikking stellen van armoedeverenigingen, inspraak organiseren bij programmatie, artistieke projecten opzetten met mensen in armoede. Laat organisaties die rond armoede werken, samenwerkingsverbanden aangaan met artistieke initiatieven of cultuurhuizen of bestaande sociaalartistieke projecten. Ook sociaal-artistieke organisaties die het werken met maatschappelijk kwetsbare mensen als corebusiness hebben, verdienen blijvende steun. Belangrijk is dat deze cocreatieprojecten verscheiden groepen van mensen bereikt en niet enkel mensen in armoede.

  • Lokaal werken, met aandacht voor de context in de buurt, loont. We investeren in wijk- en buurtwerkingen. Ze werken transversaal, over beleidsdomeinen heen en bevorderen de zelfredzaamheid en maatschappelijke ontplooiing van de buurtbewoners. Deze laagdrempelige initiatieven moeten erkend en gesubsidieerd worden.